Skip navigation

Tag Archives: clowns

la-et-vn-louie-anderson-christine-baskets-20160426

Toen ik kind was, speelde ik graag toneel. Ik deed dat op school, maar ook thuis. Mijn moeder moedigde het altijd aan, misschien in de hoop dat ik ooit een groot acteur zou worden.
Op een dag stond er een vuilniszak in de gang. In die zak zaten de kleren van een overleden buurvrouw van mijn grootmoeder. Mijn grootmoeder is zo iemand die alles pakt wat ze pakken kan, maar met de zak vol mantelpakjes, huidkleurige kousen en ouderwetse hoedjes, had ze zich geen raad geweten; het was haar smaak niet, en daarnaast ze waren van een dode.
Op een middag trok ik me terug in mijn kamer en verkleedde me zeer secuur als de buurvrouw van mijn grootmoeder. Ik had haar een paar keer ontmoet bij mijn grootmoeder thuis en ik had al snel gezien dat het een nare, gierige vrouw was die niet van kinderen hield. Daar kwam nog eens bij dat in de flat van mijn grootmoeder het verhaal de ronde deed dat de buurvrouw drie echtgenoten had vermoord en nu teerde op drie flinke pensioenen. Dat was vast niet waar, maar de kleren zaten me des te lekkerder.
Toen ik in haar kousen, haar mantelpak en een hoedje, mijn lippen gestift met de lippenstift van mijn moeder, de huiskamer inliep en meteen begon te praten met de stem van de overleden vrouw – krasserig maar donker door de twee pakjes sigaretten die ze rookte – moest iedereen natuurlijk lachen.
Zolang ik me kan herinneren heb ik altijd goed op de mensen in mijn omgeving gelet. Hoe ze bewogen, hoe ze praatte, alles onthield ik. Dat ik de buurvrouw van mijn grootmoeder begon te spelen kwam gewoonweg omdat de kledingstukken voorhanden waren, met als gevolg dat ik me gedurende mijn jeugd beschamend vaak verkleed als mevrouw Roctus, zoals het mens heette. Ik praatte dan met haar stem, nam denkbeeldige trekjes van een sigaret, was openlijk gierig en had zichtbaar wat op mijn geweten.
Het was eigenlijk niet veel meer dan een clowns-act, en een zeer succesvolle, want ik genoot van het gelach van mijn familie dat al begon als ze vanuit de gang mijn veel te grote pumps hoorden tikken op de vloer.

151735-full

Een van de meest getalenteerde komieken en televisiemakers van deze tijd, Louis Székely, beter bekend als Louis CK, bracht in 2016 in samenwerking met Zach Galiafianakis (bekend van het absurdistische interview programma Between two ferns en het wanstaltige The Hangover 1, 2 en 3, geliefde films onder middelbare mannen met een zeer laag IQ) een tragikomische serie uit die Baskets heette. Baskets gaat in eerste instantie over Chip Baskets, een jongen uit Bakersfield, California, die clown wil worden. Niet zomaar een clown, maar een serieuze clown. Hij gaat naar Parijs, begint aan een prestigieuze clownsopleiding maar word verliefd op een française die niet verliefd op hem is, maar wel met hem trouwt om een Greencard te kunnen krijgen in Amerika. Alles mislukt, ze gaan uit elkaar en Chip moet een baan gaan zoeken in zijn geboorteplaats.
Het gegeven van een mislukte clown met een gestrand huwelijk is natuurlijk een mager thema voor een televisieserie met meerdere seizoenen en ook de introductie van de tweelingbroer die Chip (uiteraard ook gespeeld door Galifianakis) lost daar weinig aan op, maar er is iets dat Baskets hoe dan ook tot een van de mooiste series heeft gemaakt die ik in de afgelopen jaren heb gezien, namelijk: Christine Baskets, de moeder van Chip en zijn tweelingbroer. Als u de serie nog niet gezien heeft: herhaal die naam eens en probeer te bedenken wat voor een vrouw dat moet zijn. Christine Baskets. Het klinkt als iemand van formaat, een beschermende, stevige, recht-voor-zijn-raap-moeder.
Het eerste moment dat Christine in beeld komt is halverwege de eerste aflevering, als Chip na een auto ongeval een lift heeft gekregen van een monotoon pratende autoverzekering agente die de hele serie met een arm in het gips loopt (in wisselende kleuren) en bij zijn moeder langsgaat voor onderdak.

basketspefko

‘You seem like a nice girl, Martha,’ zijn haar eerste woorden tegen de vrouw die haar zoon heeft meegebracht. Hoe ze daar veilig staat, achter haar aanrecht, glimlachend met een flesje vitamin-water in haar hand, hoopvol en tegelijk sceptisch over haar mogelijk aanstaande schoondochter, gaat op een manier zoals alleen een moeder dat kan doen.
Het verhaal gaat dat Louis CK en Zach Galifianakis, de schrijvers van de serie, in hun zoektocht naar een passende actrice voor de moeder voor de tweeling, nergens konden vinden wat ze zochten. De stem van de moeder had Galifianakis heel duidelijk voor ogen: een lijdzame, lijzige en tegelijk zangerige stem, en toen hij die stem voordeed aan de vergadertafel, schijnt Louis CK gezegd te hebben: ‘Bedoel je Louie Anderson?’
Hoewel Anderson dus een man is, werd hij door Louis CK gebeld voor de rol van moeder van de tweeling. Anderson hoefde er geen moment over te denken en stemde meteen in. Louie Anderson is een 64 jarige komiek. Hij staat bekend om zijn atypische uiterlijk. Hij is niet alleen dik, hij is ook nog eens ongelukkig gebouwd, heeft een gigantisch hoofd en een gigantische spleet tussen zijn tanden. Het is een onzekere, warme, maar kwetsbare man, vol zelfspot en nooit overwonnen schaamte. Zijn stand-up is intelligent en verfijnd, maar ook een beetje beperkt.
Naast dat afwijkende uiterlijk heeft Anderson ook nog een aparte stem. Zalvend, zwaar en iel tegelijk, soms op het zeikerige of honende af. Een beetje een kruising tussen een brombeer en een speenvarken. Hij boekte vanaf de jaren tachtig veel succes met dat uiterlijk, het werd zijn gereedschap en dus de basis van veel van zijn grappen, maar het is tegelijk ook zo’n man waaraan je aan alles ziet dat zijn uiterlijk hem zijn hele leven enorm in de weg heeft gestaan

Wat maakt de rol van Louie Anderson als vrouw nu zo geweldig en zo totaal anders dan in al het voorgaande dat ik ooit gezien heb op dit gebied? Nou, alles. Allereerst was Christine Baskets al snel de enige reden waarom ik überhaupt nog naar Baskets keek. In het eerste seizoen was ze nog redelijk op de achtergrond, vaak in de keuken bezig, soms heel even in de supermarkt te zien, en speelde Anderson de rol van de overenthousiaste en aan eten verslaafde moeder die het beste met haar kinderen voor heeft. De nadruk in dat seizoen lag voornamelijk op het verhaal van Chip Baskets, een rol die Zach Galifianakis met zichtbaar plezier speelde, en niet op de komiek die zich verkleed had als vrouw.
Ik weet nog hoe ik gedurende dat eerste seizoen elke keer verbluft was als ik de moeder in beeld zag komen. Het voelde tegelijk ongemakkelijk, daar onder de make-up en een pruik Louie Anderson te zien. De stukken waarin Christine zat waren grappig, slapstick, gingen over haar overmatige eten, dieetpogingen en haar passie voor Costco supermarkt aanbiedingen. Maar in het tweede seizoen, dat qua verhaal absoluut saaier is dan het eerste, viel er opeens niets meer te lachen en werd het bloedserieus. Ik begon iedereen rondom Christine Baskets te vergeten en verlangde stilletjes alleen nog maar naar de scenes waarin Anderson inmiddels een vrouw neerzette waar je absoluut geen moment aan twijfelde en ook letterlijk niet omheen kon. Geen stereotype zoals al zo vaak gedaan, maar een échte vrouw. Elke beweging, elke oogopslag, alles oogde even perfect en natuurlijk. En het ging nóg een stapje verder: ik vergat dat Christine Baskets gespeeld werd door Louie Anderson, door een man.

Baskets_4314-1024x680

Eén blik op Christine met een rolkoffer, een zonnebril op haar neus, zuchtend in een lift in een hotel is genoeg om te begrijpen wat ik bedoel. Zie haar in een badpak door een zwembad ploeteren en begrijp dat dit echt is. Zie haar zoenen met een nieuwe liefde en vind geen spoor meer terug van de komiek die ongemakkelijk bewegend op een toneel staat te zweten. Het is in het tweede seizoen ook duidelijk te merken dat de makers van Baskets ook hebben opgemerkt wat een waanzinnige prestatie Anderson neerzette. Christine komt steeds meer op de voorgrond, en al snel beginnen alle andere personages te verbleken en dat gaat op een manier alsof ze letterlijk plaatsmaken voor haar, voor haar verhaal.
Ik zocht naar recente interviews met Anderson, en vond een filmpje uit een talkshow, waar hij in een veel te krappe fauteuil, een veel te klein pak, met een stropdas waar hij ongemakkelijk aan plukt, vertelt over de band met zijn moeder. Hij huilt nog net niet als hij erover praat. Anderson was heel gek op haar en toen hij gevraagd werd om de rol te vertolken in Baskets besloot hij naar eigen zeggen gewoonweg haar te spelen. Haar stem gebruikte hij al dertig jaar in zijn stand up, maar ook in zijn privéleven was die stem altijd en overal aanwezig. In het interview doet hij voor hoe hij zichzelf in een restaurant met de jammerlijke stem zijn moeder verzekerd van extra brood met boter, nog voor hij aan de tafel gaat zitten.
Voor Anderson was er niet veel meer nodig dan een pruik, kleren, make up en een goede reden om zijn moeder ook daadwerkelijk te worden. Het was geen naspelen meer, het was haar zíjn. De komiek verteld in een ander interview hoe hij op de set van Baskets Christine genoemd wilde worden, dat hij op de deur van zijn kleedkamer zijn naam liet weghalen en vervangen voor die van Christine.
Op een van de eerste draaidagen keek hij naar zichzelf in de spiegel toen zijn lippen gestift waren. Hij tuitte zijn mond en was trots, zag misschien voor het eerst dat hij mooi was; dat Louie Anderson van de aardbodem was verdwenen.

Net zoals Louie Anderson zichzelf graag wilde laten verdwijnen in Baskets, of Zach Galifianakis die een hele televisie serie aangaat om eindelijk eens langdurig in een overdadig clownspak te kunnen lopen, zo wilde ik als kind het liefste tijdelijk iemand anders kunnen zijn. Hoe completer de vermomming, hoe groter de verwijdering tot mezelf was. Ik deed dat helemaal niet in het geheim, mijn familie speelde meestal mee. Op mijn twaalfde nam mijn grootmoeder me een paar dagen mee naar Parijs. Ik had er geen zin in, om met mijn grootmoeder op stap te gaan. Ik dacht aan tergend langzaam moeten dineren en vervelende bezoeken aan warenhuizen, dus heb ik daar vier dagen lang een jongen met het syndroom van down gespeeld die nergens naar binnen kon, die het liftje en niet de trappen naar de Sacre Coeur moest nemen. Ik hield vol, met het kwijl op mijn jas, met mijn linkerarm continu spastisch naar achteren gestoken en voerde een loopje uit dat me werkelijk moeite koste. Het stopte ook niet bij het dichttrekken van de hotelkamer. Bij het slapengaan en het ontwaken bleef ik de jongen die ik Joep had genoemd en mijn grootmoeder sprak me ook op die manier aan, ze vond het prachtig. Het waren lichamelijk gezien slopende dagen voor mij, zo raar bewegen, zo moeilijk praten. Ik herinner me zelfs de spierpijn nog die ik na afloop had, maar toch voelde het als geslaagd.
Tegenwoordig heb laat ik de verkleedpartijen achterwege, maar genezen ben ik zeker nog niet. In het spel wat ik tegenwoordig speel, wat goddank niemand anders dan mijn naasten ooit zullen zien, glij ik moeiteloos in een personage zonder me daarvoor helemaal te hoeven transformeren. Misschien omdat ik er zo jong mee ben begonnen, of omdat ik inmiddels personages kies die dichter bij mezelf liggen zodat er minder te verkleden valt.
Een absolute favoriet van mij is een plat Amsterdams pratende man die ik Jan heb genoemd. Jan is negenenveertig, is een rauwe door de wol geverfde klaploper met wat men noemt ‘een te groot hart’. Jan houdt altijd verhalen op – hij beweerd onder andere de hele stad te bezitten, alle gebouwen zijn van hem – en zit ondanks zijn geveinsde succes altijd in de problemen. Daar komt bij dat hij voor zijn vriendin moet zorgen die aan vroege Alzheimer lijdt. Ze draagt hem op handen en zegt zijn woorden blind te geloven, wat bij Jan weer tot ergernis zorgt, want hij weet zelf dondersgoed dat het allemaal klinkklare onzin is.
Mijn eigen vriendin vertolkt de rol van Jan’s vriendin al vanaf het begin dat Jan verscheen, nu bijna twee jaar geleden. Zo nu en dan sta ik er alleen voor, als ze er even geen zin in heeft. Ik mompel dan als Jan staande voor het raam, maak de handbewegingen richting de stad die van hem is, werp de juiste blikken door de kamer, noem voorbijgangers bijchochems, allemaal om haar weer in het spel te kunnen trekken. Als dat dan lukt, en ik de krakerige stem van Jan’s dementerende vriendin hoor, dan voel ik me zielsgelukkig.
Ik zei eens tegen mijn vriendin dat ik de behoefte vooral voel als ik me stierlijk verveel, waarop zij in haar rol als vriendin van Jan riep dat ik knettergek ben. Natuurlijk weet ik dat in al die mensen die ik speel juist iets van mezelf zit wat er op een andere manier misschien nooit uit zou komen, en dat geeft me lucht.
Er is één uitzondering: Als mijn moeder op vrijdagen op onze anderhalf jaar oude zoon komt passen, doe niet ik de deur voor haar open, maar een racistische, zwakzinnige schoonmaakster met een oorlogstrauma die ik al twee decennia voor haar speel. Een Scheveningse vrouw die loenst, die moeilijk loopt en het altijd over haar weggelopen echtgenoot en haar bewondering voor Adolf Hitler heeft. Ik heb die schoonmaakster maar één keer in mijn leven gezien, toen ik tien was en ik bij een schoolvriendje over de vloer kwam. Ze liep opvallend raar, ze zei iets over haar ex en begon daarna uit het niets opeens over Adolf Hitler, die ze een ‘man van zijn woord’ noemde. Ze loenste, ze praatte met consumptie en haar bril besloeg door het warme sop in de emmer aan haar voeten.
Hoe onbenullig ook, dat ene moment, die halve ontmoeting, bleek genoeg voor misschien wel een heel leven te zijn.
‘Hallo Neel,’ zegt mijn moeder dan met een Duits accent in de deuropening, ‘hoe is het meissie?’

Baskets, FX 2016-2017

Advertenties

Illusies op de millimeter of het gevaar van de clown (3)

Het slot van deze en deze

De nacht die vooraf ging aan mijn date met clown Benno, sliep ik bijzonder slecht.
Ik droomde over een circus in de jaren vijftig. Ik zag een slangenmens en een lilliputter, een aantal clowns die stiekem bier dronken achter de woonwagens. Ze hadden allemaal hese stemmen, net als Bob Dylan die de hele tijd ‘Desolation Row’ zong.

Ik kan niet anders zeggen dan dat Benno er in zijn nette kleren precies zo uit zag als ik had gedacht: Een spijkerbroek, wit overhemd met drukknoopjes en een leren colbertje, (ik had ‘jasje’ willen schrijven, maar in dit geval was het echt een ‘colbert’) witte sneakers met klittenband, gouden kettingen om zijn nek. ‘Ik ben helemaal het mannetje,’ zei hij en stak zijn handen nonchalant in zijn broekzakken. Ik zag de gouden ringen aan zijn vingers.
‘Je ziet er goed uit,’ zei ik.
‘Potent,’ zei hij.
We namen de tram naar het centrum en onderweg bestudeerde ik de ringen aan zijn handen; er zat er een tussen met een grote robijn. ‘De ring van sinterklaas,’ zei hij en trappelde van opwinding met zijn voeten. Ik had iets kunnen zeggen in de trend van: ‘Ja jongen, nu gaat het allemaal beginnen.’ Maar ik zei niets.
De clown zei: ‘Dat lijkt wel een enorme lul!’ toen hij het monument op de Dam zag.
Vroeger liep ik wel eens door de stad met een vriend of vriendin en had dan de behoefte om te verdwijnen. Ik dacht dan aan mogelijkheden om een steeg in te duiken en hard weg te rennen, mijn fiets op te zoeken en het centrum uit te racen. Naast Benno was dat anders; ik wilde het voor geen goud missen.
We dronken bier op een terras en ik zag hoe onrustig hij om zich heen keek, met zijn handen een ritme tikte op de tafel. ‘Waar is het eigenlijk?’ vroeg hij.
‘Niet ver hier vandaan,’ zei ik en wees zomaar een richting op.
‘Ow, oké,’ mompelde hij en nam een flinke slok bier.
‘Heb je een voorkeur?’ vroeg ik.
Hij boog zich over het tafeltje en fluisterde in mijn oor: ‘Dikke billen, grote tieten.’

Toen hij zijn vijfde biertje achter de kiezen had, werd hij ongeduldig. ‘Breng me erheen!’ riep hij.
Onderweg at hij drie grillburgers bij de Febo in de Stoofsteeg. ‘De lekkerste die ik ooit gegeten heb, echt waar,’ zei hij en dronk nog een blikje bier. ‘Niet te dronken worden, anders…’ begon ik.
‘Anders wát! Anders wát?’ brulde hij.
‘Anders krijg je straks ruzie.’
Hij moest lachen, trok nog een kalfsvleeskroket en zei: ‘Ik ben net zo potent als Mohammed, dat verzeker ik je.’
Toen we langs de ramen liepen keek hij steeds naar de grond.
‘Is er iets niet goed,’ vroeg ik nog, maar hij schudde zijn hoofd en sjokte door de kleine steegjes waar hij tegen elk blikje dat hij tegenkwam, trapte.
Ik was de parasiet, Benno mijn gastheer.
Bij een seksshop liep hij naar binnen en voelde aan lingerie. Een paar minuten keek hij naar een aantal attributen in een vitrine: onder andere een Amsterdammertje van zwart rubber vond hij heel interessant.
‘Benno, je moet wel een keuze maken,’ zei ik toen we voor een tiental ramen stonden. Hij liep steeds van het eerste naar het laatste raam en keek naar de grond.
‘Ik kan wel iemand in elkaar slaan weet je dat?’ zei hij leunend tegen een muur. ‘Ik wil nog een biertje.’
‘Waar zijn de jongens eigenlijk?’ vroeg hij aan de verkoper in de souvenir winkel waar hij bier kocht. ‘Jongens? Die zijn er wel hoor, kijk hier maar eens om de hoek.’
Jongens, dat kan natuurlijk ook, dacht ik.
Toen we een schimmig pand inliepen waar toeristen de weg versperden zei hij: ‘Jezus ik ben geil als een otter.’
Hoe het precies gekomen was weet ik niet meer, maar wat vast stond was dat de clown opeens niet goed werd. Eerst kotste hij tegen een auto, later zat hij ineen gedoken op de Oudezijds- achterburgwal, met zijn hoofd tussen zijn handen. Met zijn laatste kracht sleepte hij zich een seksshop in waar hij op de toonbank ging hangen. Hij vroeg een paar keer: ‘Waar zijn de jongens nou?’ aan de verkoper die niet op of om keek en de krant las.
‘Vroeger sloeg ik wel eens iemand in elkaar weet je dat?’
Ik knikte. Als ik naar zijn grote handen keek kon ik me daar alles bij voorstellen.
‘Ik was zo agressief man, niet te geloven! Ik heb wel eens iemand zo geslagen dat ie niet meer kon kijken…Ik sloeg en sloeg en kon niet meer ophouden. En niemand die het snapt, dat is het ergste van alles.’
De verkoper sloeg rustig zijn pagina’s om en schonk zichzelf een glas cola in terwijl Benno mijn shawl vastgreep en wilde bewegingen met zijn vuist maakte. ‘Zo sloeg ik dan, als een bokser, als een echte bokser.’
Wanneer is de klus geklaard? vroeg ik me af. Wanneer heeft de parasiet genoeg gegeten?
‘Mijn mama is dood en mijn papa ook,’ zei hij. ‘En mijn zusje, die heeft jaren in een tent gewoond, omdat ze niet kon ademen. Niemand die het snapt, helemaal niemand in deze kloterige wereld,’ zei hij terwijl de verkoper begon te zuchten. ‘En jij, snap jij het?’ vroeg de clown aan de verkoper en maakte boksbewegingen in de lucht.
‘Je bent gewoon verdrietig, dat is het,’ zei de man kalm.
Ik bleef in de hoek staan, tussen een kunstvagina en een massagestaaf terwijl Benno de winkel uitliep, met zijn gebalde vuisten zijn ogen bedekkend.
‘Verdomme!’ riep hij en in een glimp zag ik zijn tranen, die ik misschien niet gezien mocht hebben.
Toen verdween hij in een steeg.
De volgende dag deed ik een bijzondere ontdekking op het plein; wielsporen en een grote cirkel in het zand, alsof er een ufo geland was en weer opgestegen. Verder niets of niemand.

Illusies op de millimeter of het gevaar van een clown (2)

Voor deel 1, klik

Toen ik die ochtend de vier torens van de opblaas-tent achter de bomen op het sportveld zag oprijzen had ik kunnen denken: ‘The circus is in town!’ maar ik dacht alleen maar aan de mogelijkheid de tent met een scherp mes lek te steken.
Buiten de hekken telde ik een stuk of tien televisieschotels in het gras. De kabels liepen naar de vervallen campers en loodsen op wielen. Er liepen werklui te sjouwen met dozen vol kabels en onduidelijke elektronica. Ook zag ik een lilliputter een sigaret roken.
`s avonds maakte ik een wandeling met de hond. Onder mijn jas hield ik een in een theedoek gewikkeld keukenmes. De hond snuffelde aan de lege bier blikjes die Benno om zich heen had liggen in het gras. Hij lag op een plastic ligstoel. Hij was alleen.
‘Zo zo,’ zei hij.
‘Zo zo,’ zei ik, glimlachte en liep door.
‘Ik had een kut humeur man, dat wil je niet weten!’ zei hij opeens, ‘het spijt me.’
In het licht van de lantarenpaal zag ik een korte broek en een wit hemdje met gele strepen, in zijn nek zaten nog vegen witte schmink.
‘Geeft niet, ik snap het wel,’ zei ik.
‘Biertje?’ vroeg hij en zwaaide met een blikje.
Ik drink nooit bier, ik ben waarschijnlijk de enige man ter wereld die niet van bier houdt, in ieder geval zeggen veel mensen dat. Voor Benno wilde ik graag een uitzondering maken.
Ik knikte en hij schoof een roestige klapstoel naar voren. ‘Ik heb er niets te bikken bij, maar dat hoeft ook eigenlijk niet, bier vult heel goed.’
‘Bier is heel voedzaam,’ zei ik en gluurde naar de campers op het plein. Ik vroeg me af welke van hem zou zijn.
We dronken in stilte, ik bedacht allerlei dingen die ik zou kunnen vragen, maar alles wat bij me opkwam was te cynisch of gewoon ronduit onaardig, dus vroeg ik -nadat hij een aantal harde boeren had gelaten: ‘Ben je veel onderweg?’
‘Driehonderdvijfenzestig dagen per jaar. Het godganse jaar dus. Maar hier in Amsterdam kom ik niet zo vaak,’ zei hij, ‘maar het is wel een leuke stad, het heeft wel iets. Maar meestal kom ik niet van het terrein,’ hij wees naar achteren, naar de tent die er in het donker nog angstaanjagender uitzag.
‘Je zou de stad in kunnen gaan,’ zei ik. (Ik wilde erachter aan zeggen: ‘Dan kun je lekker gaan “clownen” op de Dam’ , maar liet het.)
Hij keek naar zijn blikje bier en probeerde een boer binnen te houden, hij speelde met wat takjes en leunde toen naar achteren. ‘Tja, zou kunnen,’ mompelde hij.
Ik denk altijd maar dat ik iedereen de meest prachtige dingen kan ontlokken, soms doe ik het ook alleen daarvoor; voor mooie zinnen, of absurditeiten, maar Benno was voornamelijk stil als hij niet aan het boeren was. ‘Ik heb veel lucht,’ zei hij steeds.
‘En dan nog, als ik het centrum in zou gaan, waar moet ik dan naartoe?’ vroeg hij.
‘Er is zoveel te doen,’ zei ik.
‘Ja wat dan?’
‘Gewoon, het centrum,’ zei ik omdat ik ook opeens niet meer wist wat je in het centrum moest.
‘Ik zou wel naar de hoertjes willen, dat heb ik nog nooit gedaan in Amsterdam.’
Daar was het, dacht ik, nu ging het goed komen, dat kon haast niet anders.
‘Dat zou ik zeker doen, kun je niet gemist hebben!’ zei ik wat harder.
‘Nee?’ hij trok een nieuw blik open en tuurde naar het gras, ‘ik vergelijk ons leven wel eens met dat van een zeeman. In mijn geval dan, omdat ik geen vrouw heb, altijd maar alleen en altijd maar op reis. Godverdomme!’
‘Daarom,’ zei ik, ‘juist daarom.’
Ik stond op en zei dat ik naar huis ging, dat de hond wilde slapen.
Hij zei: ‘Breng je me er morgenavond naartoe?’
‘Naar de rosse buurt?’
Hij grijsde en knikte langzaam en hoopvol. ‘Ja, ik ken hier toch niemand man!’ riep hij en stond op, hij wankelde. Toen hij dicht bij me stond rook ik de zure lucht van bier en oprispingen, ‘drinken we samen op mijn kosten een paar biertjes in het centrum,’ zei hij, ‘alsjeblieft!’
Ik zei: ‘Maar dan doe je wel iets normaals aan, in een korte broek laten ze je niet binnen.’
‘Maak je geen zorgen, en ik was me heel goed.’
Dat vond ik een dubieuze opmerking maar ik knikte alleen maar en zei: ‘Oké dan.’
Als ik niet als mens zou zijn geboren dan was ik vast een worm geweest, eentje die zich moeiteloos een ingang in het lichaam zou vinden en daar als een bezetene zou gaan vreten, alles wat binnen handbereik ligt zou ik gebruiken om mijn maag te vullen.
Toen ik wegliep riep hij: ‘Hoe heet je?!’
‘Frans!’ riep ik terug.
‘Tot morgen Frans!’ riep hij en schopte tegen een blikje dat een paar meter voor mijn voeten terecht kwam. ‘Laat me niet zitten Frans!’ riep hij me nog na.
Ik riep: ‘Voor geen goud Benno!’
Ik voelde onder mijn jas de theedoek met het mes en dacht aan de worm, hoe die na enige tijd het lichaam weer verlaat, als zijn buikje rond is.

Volgende week deel 3.

dsc00579Gisteren sprak ik een clown aan.
Hij was bezig de boom voor mijn huis in te pakken met posters waar hijzelf op stond, met rooie wangen en een panische blik in zijn ogen.
‘Bent u dat op de posters?’ vroeg ik.
‘Ja ja, dat ben ik,’ mompelde hij.
‘Hoe heet je?’ vroeg ik.
‘Benno,’ zei hij en trok een tie-wrap strak.
‘Benno, zou je je rommel ergens anders op kunnen hangen? Ik kijk uit op deze boom en wil niet elke ochtend met je gezicht geconfronteerd worden.’
Hij gaf geen kik en ging door. Ik had verwacht dat hij wat vrolijker zou zijn, misschien gekke dansjes zou maken, of dat er een ballon uit zijn borstzakje getoverd zou worden, maar helaas, Benno zei: ‘Ach man, laat me met rust, ik heb een kuthumeur!’
Nu heb ik clowns altijd gevaarlijke mensen gevonden. Naar mijn idee balanceert een clown op een gevaarlijk randje, voor je het weet verandert de piste in een bloedbad. Ik weet heel goed dat het vooral mijn fantasie is, maar toch.
Ik rookte een sigaret en keek naar zijn schoenen. Het waren gewone schoenen, niet echt de schoenen van een clown.
‘Denk je dat ik het leuk vind?,’ begon hij opeens, ‘ik kijk ook niet graag naar mijn kop, echt niet, maar het is mijn werk. Vroeger was ik schilder, toen keek ik graag naar mijn werk, nu niet meer.’
‘Ben je ongelukkig?’ vroeg ik.
‘Als ik thuis ben en mijn gezicht was, mijn kleren uittrek en in bed lig, dan niet.’
Ik ben nog nooit naar een circus gegaan, sommige mensen zeggen dat dat een groot gemis is, maar ik zie het nog altijd als een verstandige keuze.
Ik liep met hem mee naar de volgende boom en vroeg wanneer het circus zijn ‘deuren’ zou openen. ‘Over een paar dagen al,’ mompelde hij.
‘En dan wordt het zeker een groot feest, niet?’
‘Geen idee, dat maakt me ook geen moer uit, als ik maar rustig kan schijten en genoeg te eten krijg,’ zei hij, ‘meestal eten we elke dag nasi, en ik hou niet van nasi.’
‘Weet je Benno, ik heb een idee. Als je die poster bij mijn boom nou eens om zou draaien, naar de andere kant van de straat gericht, dan heb ik er geen last van.’
‘Geen denken aan,’ zei hij en liep naar de volgende boom, ‘weet je wat het probleem is? Mensen denken altijd maar dat wij grappig zijn, dat wij nooit een kuthumeur hebben en dat het bij ons thuis ook een groot circus is, maar dat is helemaal niet zo!’
Ik wilde hem zeggen dat ik dat nog nooit gedacht had, dat ik niet veel anders dacht dan dat een clown een ontspoorde idioot is, of een pederast, of een combinatie van die twee, maar ik zei: ‘Dat meen je niet! Laat ik dat nou altijd gedacht hebben!’
‘Zie je wel! Wij zijn óók mensen en dat vergeet men wel eens. We adverteren met “illusies op de millimeter” maar weet je, elke millimeter is ook echt illusie bij ons. Ik ben dat niet!’ schreeuwde hij en sloeg een paar keer tegen zijn afbeelding.

Nu hangt de poster er nog. Ik heb al vanaf vanochtend zin om hem met een dikke zwarte stift te bekladden met de meest vreselijke teksten, maar ik durf niet.