Navigatie overslaan

Tag Archives: Het voorseizoen

Tijdens de uitreiking van de Gouden Boekenuil 2012 bracht ik ongeveer twee woorden uit en ook nog met grote moeite; ik was lamgeslagen van verbazing en had niets voorbereid en dat terwijl mijn redacteuren me een week daarvoor nog vroegen of ik al een speech had. Ik moest daar om lachen. Als ik net als Afth. van der Heijden vier dagen van te voren had geweten dat ik zou winnen had ik graag ter plekke een aantal mensen bedankt, dus nu alsnog, hier: Mai Spijkers van Uitgeverij Prometheus, voor zijn geloof in mijn werk en zijn nimmer aflatende financiële steun, Marscha Holman en Job Lisman voor hun goede zorgen tijdens de redactie, mijn vader die er voor zorgde dat ik in Griekenland ondanks alles onbezorgd kon blijven schrijven (en eten en drinken), mijn broer die altijd met goed advies kwam en in moeilijke tijden altijd voor me klaar stond en staat, mijn zusje dat mij (goddank) nooit in de steek liet terwijl er soms reden genoeg voor was, mijn moeder die altijd in mij bleef geloven net als mijn grootmoeder die dit jaar overal minder de dupe van werd (ik zeg dit even namens haar, maar neem aan dat ze het zo zou kunnen zeggen, ik leen de laatste maanden steeds minder geld voor pakjes sigaretten) en tot slot Eva die tijdens het tweede deel van het schrijfproces in mijn leven kwam en later ook weer verdween, altijd absurd kritisch was – iets waar ik tot haar grote ergernis nooit enige boodschap aan heb gehad, maar toch, het hielp tegen mijn ongehoorde luiheid en wakkerde een raar soort vechtlust aan.


Ik kan u natuurlijk vertellen dat Steve Mellors op 5 april zijn kat kwijtraakte, en nu alles in het werk stelt om het diertje weer terug te vinden. Dat overal in Amsterdam aanplakbiljetten hangen. Op bomen, elektriciteitshuisjes en lantarenpalen. Of dat het katje rood met wit gestreept is en geen naam heeft. Dat er een klein scheurtje in zijn rechteroor zit.

U zou natuurlijk naar deze website kunnen gaan om te weten te komen hoe het allemaal zo is gekomen, ja, dat zou u natuurlijk kunnen doen, maar het lijkt me het beste u te waarschuwen voor de kans dat u met dit bezoek aan de website de winnaar van een boek kunt worden, of dat eigenlijk al bent.

Zie ook hier

De etalage van Athenaeum boekhandel op het Amsterdamse Spui staat deze week en de komende in het teken van drank, fast-food en gecensureerde porno; Het Voorseizoen ligt in de winkels, natuurlijk ook bij u in de buurt.

Gisteren was ik te gast bij Frénk van der Linden, in het NTR programma kunststof, natuurlijk over mijn nieuwe roman Het Voorseizoen.
Aan het einde van de uitzending moest ik een motto op een badkamer tegeltje schrijven. De eerste keer ging dat mis; zelfs mijn zelfgekozen motto haal ik soms door de war, en een beetje poetsen had geen zin, dus mocht het over en ben ik nu in het bezit van een mislukt tegeltje. Fantastisch eigenlijk.

Voor degene die het gemist hebben is het interview hier te beluisteren.


Hier kunt u een voorpublicatie lezen van hoofdstuk 14 van mijn nieuwe roman Het Voorseizoen. Op 21 april ligt Het Voorseizoen in de boekhandel. Hier kunt u nog altijd lezen hoe het idee voor het boek (ongeveer) tot stand is gekomen.


Vanaf vandaag ligt er een voorpublicatie van Het Voorseizoen in de winkels.
U kunt in dit boekje het eerste hoofdstuk lezen en in een kort voorwoord te weten komen hoe Het Voorseizoen tot stand is gekomen. Maar het mooiste van alles is dat er een kortingsbon in dit boekje zit: tegen inlevering ontvangt u €2,45 korting*, zorg dus dat u dit boekje in handen krijgt.

*kortingsactie loopt van 11/4/2011 tot en met 11/07/2011.

‘For research,’ was steeds mijn antwoord als iemand vroeg wat ik in Leicester deed. Niet alleen taxichauffeurs, maar ook mensen bij banken, in fotowinkels, het hotel waar we verbleven, overal leek men verbaasd, en dat is achteraf gezien niet verwonderlijk, want waarom in godsnaam ga je naar Leicester, Engeland?
    Samen met mijn vriendin vertrok ik per trein, via Brussel waar we garnalenkroketten en bonbons aten. Mijn vriendin zei dat ze van plan was zelf bonbons uit te gaan vinden omdat dat volgens haar het makkelijkste ter wereld was. Op weg naar het station bedacht ze er honderden. De beste waren volgens haarzelf de bonbon met knoflook, een met een vulling van mozzarella en een bonbon met een salamiworstje erin. Maar de allerbeste, zei ze met een grote glimlach, was een bonbon met een bonbon erin en daarom weet ik zeker dat er geen beminnelijker persoon op deze wereld rondloopt dan zij.
    Bij de paspoort controle van de trein door de tunnel naar Engeland, die volgens de folder niet door het water, maar door het slip van de bodem van het kanaal liep, zagen we een dansschoen op het bureau van de bagage controle staan. Het was een totaal versleten roze ballerina met enkelbandjes. Later in de trein werd er omgeroepen dat iemand zijn schoen was verloren en dat die af te halen was bij de treinmanager.
    Ik wilde naar de plek waar het romanpersonage uit mijn nieuwe boek woont. Om te zien waar hij werkt, eet en drinkt, hoe het er ruikt, wie zijn buren zijn. Waar hij zijn Leicester Mercury koopt en dan niet alleen van horen zeggen of met hulp van Wikipedia, maar alles met eigen ogen zien.
    In het Hilton hotel kregen we een kamer voor gehandicapten. De eerste avond sliepen we in een bed omgeven door rode koorden waarover een kruier zei dat als we daar aan zouden trekken, hij binnen enkele ogenblikken in de kamer zou staan. De wc deur kon niet op slot, dat leidde tot lange tochten naar de openbare wc’s in de lobby.
    Toen we de volgende dag een normale hotelkamer kregen (Did you get the disabled room? Oh that’s sad…) en de stad gingen verkennen, begonnen we beiden steeds neerslachtiger te worden. De buitenwijk waar het hotel lag deed me denken aan de buitenwijken van Athene; grote snelwegen met enorme shoppingmalls aan de rand van de weg. Autodealers, sanitair mega-stores, meubelboulevards, wedkantoren en absurd grote bankfilialen waar ze op de puien adverteerde met levensverzekeringen. We liepen de grootste supermarkt in die ik ooit in mij leven zag. Op de afdeling watersport keken we naar de surfplanken en surfpakken en zei mijn vriendin dat er hier toch geen water in de buurt was. Ik hoorde haar niet, want ik keek naar een stapel Creusetpannen die negentig pond per stuk waren. ‘Er is hier toch geen water in de buurt! Negeer je me ofzo?’ vroeg ze nogmaals. ‘Er is hier toch geen water in de buurt?!’ schreeuwde ze door de onmetelijke ruimte. Nergens dus, nergens was water te vinden maar toch verkochten ze surfplanken, wetsuits en verschillende soorten strandhanddoeken. De toon was gezet, want al snel bleek dat Leicester vooral ging om wat er juist níet te vinden was.
    Het enige wat je gelukkig kan houden in Leicester bleek een lekkere maaltijd te zijn. We bezochten Indiase restaurants, Sushi-barren, homemade hamburger restaurants waar het rundvlees traceerbaar was, een kleine Italiaan waar ze moeilijk deden over mijn Parmezaanse kaas obsessie, –Ik schijn mijn pasta met belachelijk veel kaas te eten– en het ontbijt in ons hotel, dat bestond uit smakeloze roereieren op zompig brood en bacon en worstjes die we moesten laten staan.
    Op het dak van een verlaten slachthuis fotografeerde mijn vriendin waar het allemaal om draaide; The Montfort house, een vijftien verdiepingen tellend flatgebouw midden in de stad. Grauw en deprimerend van buiten, van binnen een plek om zelfmoord te plegen. Lage plafonds en piepkleine raampjes die uitzicht boden op de hele stad. Het zijn prachtige foto’s geworden, dat verzeker ik u.
    Elke dag in de stad leek een aanslag op mijn gezondheid. Nooit eerder was ik zo moe, zo humeurig en zo verschrikkelijk gehecht aan thuis als daar. De bewoners waren bijzonder vriendelijk rond de middaguren, maar in de avond sloeg alles om in een onbekende en niet te plaatsen agressie, een bijna voelbare slechtheid van de stad en zijn inwoners. Er was niets meer te doen dan eten en drinken, er was één bioscoop te ontdekken waar ze films van een jaar geleden speelde en het ene museum was nog treuriger dan het andere. Op een avond werden we na het fotograferen achtervolgd door een man waarvan wij zeker wisten dat het een drugsdealer was. We namen de raarste steegjes en elke keer dook hij weer op aan de overzijde van de straat. Uiteindelijk zijn hem kwijtgeraakt door een Chinees restaurant op Charles Street in te vluchten waar we noodgedwongen een van de smerigste maaltijden ooit aten.
    Het enige hoopvolle in Leicester is dat ze bij de drogist paracetamol-codeïne verkopen zonder recept.
    Mijn grootmoeder heeft er altijd een sport van gemaakt om alle mogelijke asbakken die voor haar neus stonden mee te nemen, toen ze stopte met roken liet ze de asbakken die ze tegenkwam staan. Ikzelf heb er altijd een sport van gemaakt werkelijk alles wat onbemand voor mijn neus staat mee te nemen, mijn vriendin is mogelijk nog erger maar daar kan ik niets over vertellen. Ik ben nu de gelukkige eigenaar van een aantal espresso kopjes in verschillende maten die ze voor mij heeft gestolen. Ikzelf stal een witte badjas waarin ik kan wonen en hele serie verzorgingsproducten van Dermatologica, en een zwembroek van Speedo waardoor we niet meer langs de ingang van het zwembad in het hotel konden lopen omdat daar een jongen achter de balie stond (die door mijn vriendin ‘poolboy’ werd genoemd) waartegen ik had gezegd dat ik later nog even zou komen afrekenen. De ochtend van vertrek verlieten we het hotel via de nooduitgang, over de parkeerplaats, in tegengestelde richting naar de lobby om poolboy te omzeilen, want niets is zo erg als in een goed dievenhuwelijk op het laatste moment gepakt worden.