Navigatie overslaan

Tag Archives: Maartje Wortel


Ik schreef hier, hier, hier en hier over project HIER. Samen met Jan Aelberts, Maartje Wortel, Marco Jonas Jahn, Matthias Reuter en Martin Huyn schreef ik stadverhalen (Stadtgeschichten) die 22 januari in Arnhem werden gepresenteerd in boekvorm. Mijn verhaal ‘Mijn vader was koning van de stad’ is in deze uitgave van de Wintertuin zowel in het Nederlands als in het Duits te lezen.

DSC01034Alle begin is moeilijk, laat ik het zo maar zeggen.

Na de Uitmarkt en Manuscripta was ik gisteren te gast bij SLAA Nieuwe Geluiden in het comedy theater aan de Nes in Amsterdam en dat viel me mee.
Er waren consumptie muntjes en omdat ik nooit in mijn leven zo’n muntje in handen had gehad was ik blij verrast met een handvol.

Met Maartje Wortel en Ivo Victoria zat ik achter een tafel in een spookachtig licht en rookmachines. Op vieze stoelen werden wij ondervraagd door Jeroen van Kan over ons schrijverschap. Het schrijfproces, het leefproces, hoe wij naar dat proces keken en wat we aan verwachtingen hadden als het om al die processen ging.
We lazen een voor een voor uit onze debuten en deelden één enkel glas bier.
Later kondigde ik een cursus aan die ik zou gaan geven in 2010: ‘Hoe schaaf je delen van je leven’ Ik verzeker u, ik ben de absolute expert als het gaat om dat onderwerp.

Arjan Peters las een recensie voor van een aantal niet verschenen boeken en een niet bestaande literaire prijs waarvan ik het idee heb dat ze zeker ooit nog zullen verschijnen of ontstaan en Anne Soldaat bracht mooie muziek: (“Ik ben geen nieuw geluid, ik maak al vijftien jaar muziek, maar niemand die het weet, dus misschien ben ik wél een nieuw geluid”) en Erik Lindner ondervroeg Lieke Marsman over een gedichten cyclus die in het laatste nummer van Tirade te lezen is.

En Thomas Vaessens, ja Thomas Vaessens. Ik herinner me vooral zijn vinger in de lucht als hij een nieuwe foto op het scherm wilde en ‘Volgende!’ riep alsof hij college gaf aan een aantal bibberende studenten.
En hij maakte indruk op me, jazeker. Niet als het om zijn preek ging, want die was nog altijd onduidelijk en steeds tegenstrijdig -al zou hij zelfs nu, in dit stukje het tegendeel willen bewijzen (met priemende vinger). Maar dan zijn verschijning; een gladde en gelikte man die zo dol op zichzelf is dat het bijna niet uitmaakt wat hij geschreven heeft en daar ook absoluut geen verantwoordelijkheid voor wil nemen.
De spottende glimlachjes, de wilde handgebaren waarmee hij argumenten van tafel veegde, het inslikken van zijn Brabants accent… Mocht hij ooit van beroep wisselen denk ik dat hij het zeer goed zal doen in welke bestuursraad dan ook. Ook als makelaar zou hij absoluut geen slechte zijn, vooral als het om het omzeilen van verborgen gebreken gaat.
De vraag waar ik mee bleef zitten is deze: wat is postmodernisme nu werkelijk? Niemand kon er een eenduidig antwoord op geven, zelfs Vaessens zelf niet. Ik hou het op verwarring.

Toen ik klaar met voorlezen was riep een oudere man vrij hard: ‘En nu nog leren voorlezen!’ waarvoor ik hem vriendelijk bedankte. Laat ik hem Gerard noemen, omdat hij mij zijn naam niet wilde zeggen. Toen ik na de voordracht achterin de zaal naast mijn redacteur Merijn ging zitten vroeg ik: ‘Wie was die klootzak?’ en hij fluisterde: ‘Die zit hier naast me.’
Gerard, ik wil je zeggen dat er een dag komt dat ik alleen nog maar voor jou zal voorlezen, waarschijnlijk uit een kinderboek, maar helemaal voor jou alleen.

DSC00985
Gisteren speelden de Duitsers virtueel tennis in het kantoor en dronken Maartje, Jan en ik wijn op ons dakterras. Tegenover het hotel zat bioscoop Calypso waar die avond Harry Potter films werden vertoond. We slingerden een dode plant tegen de gevel van de bioscoop. Het was een prachtig gezicht; het uiteenspattende aardewerk, de droge grond die door de lucht stoof. Ja, ik kan wel zeggen dat de dag toen pas goed begon.
Want geschreven hadden we de hele middag. De Duitsers zaten geconcentreerd voor hun computer schermen terwijl wij buiten aan een tafel zaten en luisterden naar Bob Dylan, Tom Waits en naar Markim die vertelde dat een van zijn vrienden ooit naar Cyprus vloog en daar op het vliegveld de grootste problemen kreeg. Zijn achternaam was dezelfde als die van een jarenlang gezochte oorlogsmisdadiger en hij moest aantonen dat hij geen banden met deze tak van de familie had. Dat was niet makkelijk volgens Markim, hij werd niet geloofd en werd Cyprus niet binnengelaten. Hij wilde toen via Israël terug vliegen, wat natuurlijk evenmin lukte. ‘En toen?’ vroeg ik. ‘Niets,’ zei Markim, ‘hij nam een trein terug naar München en at daar binnen de kortste keren weer een worst in veilige omgeving.’
Maartje Wortel was in de tussentijd verliefd geworden op haar bedlampje en wilde daar graag zo dicht mogelijk bij blijven, en dat snapten we maar al te goed.
Jan en ik besloten terug te gaan naar de plaats waar het allemaal was begonnen, het lichtpunt in de stad en vooral in onze hoofden: Louis.
Al uren daarvoor hadden we het steeds over hem. We vroegen ons af hoe het met hem ging, of hij zich ons nog zou herinneren, of zijn versterker het nog deed en of hij nog gelukkig was met zijn vriend. We hadden besloten Louis te gaan bedanken voor zijn gastvrijheid en hem vaarwel te zeggen.
Dus zwierven we door het bruisende centrum van Nijmegen en kwamen dronken mensen tegen, er stonden overal mobiele steunpunten van de politie en hier en daar ontstond ruzie, we liepen gestaag door.
Toen we tegenover Café De Verjaardag stonden zag ik dat er een gestreepte vlag aan de pui hing; dat was de eerste keer dat we er kwamen niet zo.
‘Dit is een heel slecht teken,’ mompelde Jan.
Vanaf de overkant van de straat bekeken we Louis die een roze poloshirt droeg en naar een aantal heren in leren broeken en hemdjes die aan de bar zaten. Eerst zwaaiden ze naar ons, toen waren er handgebaren dat we binnen moesten komen en toen zijn we maar snel doorgelopen.
Diep in de nacht gooiden we een half pak theebiscuit vanaf het terras op de straat, het was een mooi dof geluid, als zware regen.
De volgende middag op het station waren we het erover eens: wij hadden ons uiterste best gedaan.

DSC00936‘De derde dag in Nijmegen. Zover is het dus gekomen,’ zegt Jan Aelberts vanmorgen.
We hebben gegeten, gedronken, eindeloos veel pistache noten gebroken, gelachen om Markim, opgemerkt dat de Duitsers enorme hoeveelheden fruit naar binnen werken, gezien dat Nijmegen na een uur of tien in de avond veranderd in een stilte gebied waar weinig meer te beleven valt dan die stilte. De studenten waren vertrokken. We hebben naar de daken gekeken en de zendmasten van de mobiele telefoonaanbieders, zagen meer oude mensen dan ooit tevoren, vaak met kratten Warsteiner bier. Verder zijn we wat gaan drinken in een groot café waar we besloten weg te lopen zonder te betalen (wat overigens zeer gemakkelijk gaat in Nijmegen), bezochten een bioscoop waar niemand naar de kaartjes vroeg en liepen langs verlaten cafés, zoals dat van Louis.
‘s Avonds klommen we in de bedstee van het Extrapool en schreven in bed.
Maartje Wortel had haar bedlamp uit Amsterdam meegenomen om zich een beetje thuis te voelen. Blauw met een witte olifant en een hondje.
Het fijne van een stad als Nijmegen is dat ik niemand tegenkom die ik ken, ik weet ook vrij zeker dat dat de komende dagen niet zal gebeuren. Fijn is dat.
Wel is uit onderzoek gebleken dat in kleinere gemeenschappen en steden vaker depressies voorkomen, ook drugsgebruik en alcoholisme komen hier in hogere mate voor dan in grotere steden. Maar eenzaamheid en verveling staan misschien wel bovenaan het lijstje.

Hier
Station Nijmegen was minder klein en aandoenlijk dan in mijn fantasie. Ook was ik verbaasd over de drukte, maar die was goed te verklaren; de stad werd bevolkt door honderden studenten die zichzelf gingen pijnigen tijdens een introductieweek.
De kennismaking tussen de Nederlanders, Belgen en Duitsers verliep vlekkeloos. Er ontstond geen ruzie, wel werden er grapjes gemaakt over het teruggeven van fietsen, maar slechts kort. Er werd over Mein Kampf gesproken, maar dan alleen omdat iemand zei dat dit boek binnenkort weer te koop zou zijn bij de betere boekhandel. Dat deed me echt deugd.
‘s Middags zaten we in de tuin en werd het al snel duidelijk dat ik een nieuwe held ontdekt had: Markim, een van de organisatoren van project Hier. Een bijzonder enthousiaste man met een roze zonnebril, korte broeken en Birkenstocks (iets wat Maartje Wortel heel sexy blijkt te vinden) en een ingenieus apparaatje om zijn sigaretten mee te rollen. Ik zou het vanaf nu alleen nog maar over Markim kunnen schrijven, maar dat kan altijd nog.
We aten ijs en spraken over het fenomeen poetry slam waar ik tot op heden weinig van begrijp, de drie Duitsers waren echte slammers vertelden ze.
Eigenlijk hadden we moeten gaan schrijven, maar eerst moest er gedronken worden. Uiteindelijk, aan het einde van de avond liepen we langs een totaal verlaten café dat “de verjaardag” heette en besloten we te gaan darten, geschreven was er nog altijd niet.
Louis, de eigenaar van het café vertelde hoe hij net na de invoering van het rookverbod zijn café had gekocht. Het was weliswaar stil de laatste maanden, maar Louis was hoopvol, hij wist dat alles goed zou komen. Tijdens de avondvierdaagse stond zijn café bomvol en viel precies om twaalf uur de muziek uit. Zijn versterker was doorgebrand. Louis vertelde, met een sigaret tussen zijn vingers, een glas bier in zijn hand: ‘Maar toen gebeurde het… iemand kwam naar me toe en zei: “Louis, ik ga mijn versterker thuis halen en dan gaat het feest gewoon door!” en zo geschiedde jongens, zo zie je wie je echte vrienden zijn, dat alles weer goed komt.’
Eerst won Dennis Gaens, toen Jan Aelberts en uiteindelijk won ik niet.
Later in de nacht vertelde Louis dat hij veertien jaar met een vrouw samenleefde en nu al weer tien jaar met een man. ‘Dit is min of meer een homo café,’ fluisterde hij, ‘ik hoop dat jullie dat wel weten.’
Dat wisten we niet, maar zo gaan die dingen dus: voor je het weet stop je met schrijven en ga je darten in een homocafé.

Hier
Tussen 20 en 25 augustus zal ik hier verslag doen van het project Hier van literair productiehuis Wintertuin.
Ik verblijf die dagen in Nijmegen, vrij uniek, aangezien ik al jaren alle Nederlandse steden behalve Amsterdam zo goed mogelijk probeer te vermijden. Nu zal dat dus gaan veranderen. Ook zal ik voor het eerst van mijn leven in een drukkerij slapen.
Tijdens deze periode zullen drie Nederlandse schrijvers (Jan Aelberts, Maartje Wortel en ikzelf) samenwerken met drie Duitse schrijvers ( Matthias Reuter, Jonas Jahn en Martin Hyun ) en werken aan ‘stadsverhalen’ die later dit jaar in boekvorm zullen verschijnen.
Een tour zal volgen en wellicht zal ik in nog veel meer drukkerijen slapen.
Meer informatie is te vinden op de website van ‘de’ Wintertuin