Skip navigation

Monthly Archives: juli 2009

hondervijfentwintig slagen

Het vervolg op deze en deze

Al jaren hield hij nauwlettend de tijd in de gaten. Hij keek onafgebroken hoe de wijzers over de plaat verschoven, en dat soms de hele dag. Het is dus niet vreemd dat hij de ziekenbroeder precies het tijdstip kon noemen. ‘Het was zeven over negen,’ zei hij vanaf de brancard. De ambulance schoot als een vuurpijl door de stad, stopte steeds maar kort, trok met wild geraas op. In de verte hoorde hij de sirenes. Hij zweefde op dat moment boven de wielen; het aluminium rammelde.
Op de eerste hulp waren ze heel aardig voor hem. Er werd continu gevraagd hoe hij zich voelde, of hij ergens pijn had. ‘Ik red me prima,’ zei hij en dacht aan zijn aangebrande omelet, de zwartgeblakerde kastjes en muren en de vloer die onder water stond.
Zijn broer droeg een lange jas, daaronder zijn pyjama. Hij was door de regen gekomen, hij was doorweekt.
‘Dolores,’ was het enige wat hij de eerste minuten zei. Hij herhaalde het steeds: ‘Dolores.’
Hij zei: ‘Ik zag het niet. Ik rook het niet. Allemaal niet.’

De volgende dag mocht hij naar huis. Op een brandwond op zijn borst na, kon hij zich gelukkig prijzen, het ging hem goed. Met een beetje bedrust zou het hem nog veel beter gaan zeiden de artsen.
Zijn broer had geen moment getwijfeld, hij riep tegen de arts: ‘Ik wil dat hij zolang bij mij blijft. Broers horen bij elkaar!’
Hij mocht in de huiskamer slapen, met zijn hoofd in het raam. Als hij zich omdraaide kon hij de vogels in de lucht zien, maar omdraaien mocht hij zich niet. Vele malen per dag stond zijn broer aan zijn bed. Soms hoorde hij hoe hij een stoel over het tapijt duwde en naast zijn bed ging zitten. Soms las hij een krant of at een kop soep en vaak voelde hij zijn broers hand op zijn voorhoofd, om te controleren of hij koorts had.

‘Ik wil zo graag een klok.’
‘Ik heb geen klok,’ zei zijn broer.
Zo ging zijn broer op een middag een klok kopen in de stad en kwam met een keukenwekker thuis. Hij hield het ding in zijn handen en zei: ‘Dank je, Augusto.’
Elk moment luisterde hij naar de wekker. Het afstervende getik als de tijd op was. Dan het belletje waar zijn broer maar niets van snapte. ‘Wat een rare wekker, waarom gaat hij zo vaak?’
‘Geen idee, dat is modern denk ik,’ zei hij.
Elke dertig minuten, elke vijftien, elke tien, elke vijf minuten, dacht Dolores.

De dagen daarna mocht hij rechtop zitten van de dokter. Dat gaf verlichting, want hij zag steeds niet meer dan het plafond, de lamp en de gordijnrails.
De woningbouw vereniging had een tijdelijk huis voor hem gevonden, maar Augusto zei dat hij beter nog even kon blijven. Hij kookte elke dag wat anders en draaide oude, krakerige tango’s waar ze soms beiden van in een deuk lagen of zachtjes om huilden.
Toen zijn broer hem kip met aardappels voerde, een theedoek rond zijn nek gebonden, zei hij: ‘Morgen kook ik voor jou.’
Zijn broer glimlachte en sneed de kip in kleine stukjes.

‘Waarom een omelet?’
‘Omdat ik die wilde eten en hij daarboven mij geen omelet gunde.’ Hij wees naar het plafond.
Hij stond in de badjas van zijn broer voor het fornuis. Zijn handen trilden toen hij de eieren brak.
‘Ik had het niet door, ik zag de vlammen niet. Ik heb het niet geroken ook. Waarom gaan die dingen zo? Vroeger roken we en zagen we toch alles?’
Zijn broer zei niets en zat aan de keukentafel en schilde een appel.
Dolores zette de pan op het vuur en smolt de boter.
‘Het is een schande wat hij met ons uithaalt. Een schande,’ zei Dolores.
‘Wie?’
‘God. We zouden jong moeten zijn, nooit oud moeten worden. Het zou overgeslagen moeten worden. Toen het huis in de fik vloog keek ik naar de tijd, ik zag hoe langzaam de tijd ging Augusto, en toch… zo snel. Toen ik de vlammen eindelijk zag dacht ik aan de tijd. Ik denk al steeds vaker: waarom toch zoveel strijd met alles? Waarom kunnen we niet gewoon oud zijn en daarmee uit, waarom verdwijnt de herinnering aan de jeugd niet gewoon als je een bepaalde leeftijd bereikt? Ik kijk naar mijn lichaam en denk: zijn dit mijn armen is dit mijn haar?’
‘Ja,’ zei zijn broer, ‘de rimpelloosheid van vroeger.’
Dolores liep naar de woonkamer, zijn broer kwam stapvoets achter hem aan. Daar kamde zijn haar naar achteren, bekeek zijn gezicht in de spiegel en ging toen in het midden van de kamer staan. ‘Doe maar,’ zei hij.
En toen vulde de kamer zich langzaam. Eerst waren er twee violen, toen een contrabas, een bandoneon en uiteindelijk een piano. Stap voor stap ging het. ‘Honderdvijfentwintig slagen per minuut,’ zei Dolores. Augusto knikte en ze keken elkaar vol spanning aan.
In de keuken ging de kookwekker, onder de dekens in zijn bed ook, maar ze hoorden het niet, want ze zetten hun hakken op de vloer, toen hun tenen en alles ging vanzelf.

Advertenties