Skip navigation

Monthly Archives: maart 2009

dscn2807
In het maart nummer van Hollands Maandblad staat een kortverhaal van mij met de titel: ‘Ik wil geen kosten maken na mijn dood’
Ren allen naar de winkel!

Advertenties

clubmed

Lees over mijn ervaringen als ober in een all-inclusive resort op Kraai dus, klik

ansjovis

Foto: © Nora P. van den Berg

Trouwe lezers kunnen zich dit verhaal nog wel herinneren.

Nu kunt u alles van een andere kant bezien.

Op het moment dat hij het straalkacheltje in de berging zet is de winter voorbij voor Augusto. Hij grijnsde ernaar en sloeg de deur met een klap dicht, alsof hij zou willen zeggen: ‘Jou wil ik een hele tijd niet zien’

Dat hij al die maanden zijn huis nauwelijks heeft verlaten maakte hem weinig uit, daarbuiten heeft hij niet zoveel meer te zoeken. Als hij boodschappen doet, doet hij ze haastig, zonder naar de mensen te kijken, zich een weg banend door de schappen, zich continu afvragend hoe hij in godsnaam weer thuis zou moeten komen.

Als hij voor de spiegel staat ziet hij een jonge man met zwart golvend haar, een gladde huid, een rimpelloos voorhoofd. Soms nog balt hij tevreden zijn biceps in die spiegel. Maar wie Augusto op straat zou tegenkomen ziet iets geheel anders; een stokoude man waaruit elke kracht verdwenen lijkt te zijn, die zich met moeite voortbeweegt.

Vanuit zijn raam heeft hij uitzicht op een school, hoewel zijn ogen slecht zijn moet hij altijd lachen als hij de kinderen op het plein ziet spelen. Hij droomt dan weg bij de gedachte weer zes jaar te zijn.

Die middag besloot hij te gaan koken. Het was de eerste keer in weken dat hij de moed had zijn jas aan te trekken, zijn boodschappentas uit het kleine gangkastje te halen, en de tram naar de grote supermarkt te nemen.

Hij merkt hoe de stoeptegels anders aanvoelen, hoe hij meer moeite heeft met de drempel van de tram, hoe hij langer dan vroeger naar geld in zijn portemonnee zoekt voor een kaartje.‘Laat u maar iemand voor, ik ben wat kwijt,’ zegt hij tegen de bestuurder.

De indeling van de supermarkt was veranderd, vroeger wist hij precies waar de blikken tomaten stonden, kon hij op de tast het brood vinden, kon de koffie ruiken.

Augusto is zo iemand die zelfs zijn leeftijd niet zou durven opbiechten. Hij liegt vrijwel altijd over zijn leeftijd, ontkent zijn ouderdom ronduit.

‘Ansjovis? Wat is dat?’ vraagt een jongen wiens gezicht hij maar amper kan zien.

‘Een vis, of een visje eigenlijk,’ zegt hij.

‘Aan het einde van het pad de tweede links,’ zegt de jongen.

Als hij voor de afwasmiddelen staat bedenkt hij zich dat de pastasaus van zijn moeder best zonder ansjovis kan.

In de tram klemt hij de boodschappentas stevig tussen zijn benen. Hij voelt de zon op zijn gezicht schijnen. Hij houdt zijn ogen gesloten.

Thuis stalt hij de etenswaren uit op de keukentafel, zakt neer op de kruk en kijkt langdurig naar het pak pasta wat hij heeft gekocht, de tomaten, het zakje parmezaanse kaas. De rode pepertjes die alleen per twee gingen. Hij schudt zijn hoofd, zucht een paar keer diep.

‘Maar is het nog goed?’ vraagt hij over de telefoon.

‘Ja, er staat…wacht even…er staat: 13 maart, over drie jaar.’

‘Dat is nog een hele poos,’ zegt hij.

‘Misschien overleeft het ons.’

‘Dat zouden we toch niet willen, of wel?’

‘Nee natuurlijk niet. Ik kom eraan, het kan wel even duren, ik ben nog niet aangekleed.’

In de keuken zet hij de pannen op het aanrecht, vroeger ging er geen dag voorbij dat hij niet kookte, nu doet de thuiszorg dat voor hem.Met verbazing kijkt hij naar de vele pannen die hij bezit.

Hij welt de tomaten en ontvelt ze kundig, bedenkt zich dat als het moest, hij het blind zou kunnen doen.De knoflook snijdt hij op een bordje, precies zoals zijn moeder dat deed, de uien kerft en versnippert hij met één hand.

Als de saus op het vuur staat loopt hij naar de spiegel en kamt zijn haren. Dan maakt hij de eettafel leeg en staart naar buiten.

Als hij terugdenkt aan de pastasaus van zijn moeder kan hij zich de keuken herinneren, zelfs het keukengerei, de felgekleurde teiltjes onder de gootsteen, zijn moeder met een schort om, zijn vader in de hoek, zijn handen nog zwart van de aarde.

Terwijl hij terug denkt aan het kippenhok in de tuin ziet hij hem staan voor het raam. Hij is oud geworden, en krom, valt hem op.

‘Het was een helse tocht,’ is het eerste wat hij zegt als hij binnenkomt.

‘Geef je jas maar,’ zegt hijzelf.

Samen zitten ze aan de keukentafel, wachten tot de pasta gaar is. Hij kijkt naar zijn broer. Hij heeft zijn haar strak naar achteren gekamd, precies als toen hij vijfentwintig was. Hij raspt de kaas en denkt terug aan de keren dat ze zo tegenover elkaar zaten. Ze waren jong, hadden daarvoor samen in een wastobbe gezeten, zijn moeder had hun ruggen gewassen en ze daarna voorzichtig afgedroogd. Zijn broer zucht en steunt bij elke plak brood die hij snijdt. ‘Moet het er niet in?’ vraagt hij.

‘Het moet op het laatste moment, anders smelt het,’ zegt hij.

‘Nee, moeder deed het als eerste, met de uien.’

‘Maar anders smelt het, ansjovis smelt Dolores.’

Als ze eten hoor je het gesmak, het knisperen van het brood en het krassen van de vorken, verder is het stil.

‘Jij at vroeger toch véél sneller,’ zegt zijn broer.

Hij knikt en wil wat zeggen, maar heeft zijn mond vol.

Voor de liefhebber:

Pasta van de moeder van Augusto en Dolores.

-1 pak pasta naar keuze

-1 rode peper

-1 blikje of potje ansjovis op olie

-olijfolie

-6 tomaten

-1 rode ui

-4 tenen knoflook

Wel de tomaten en ontvel ze, snijd ze in kleine blokjes.

Snipper de ui en bak ze in een flinke laag olijfolie. Snijd de peper fijn en voeg toe aan de uien. Kook ondertussen de pasta (dat is handig, dan kunt u sneller aan tafel)

Voeg de 4 tenen knoflook toe, u kunt een knoflookpers gebruiken, maar beter is het om ze in niet al te kleine stukjes te hakken. Zorg dat de knoflook licht van kleur blijft,dit komt de smaak ten goede, het mag zeker niet aanbranden in de hete olie.

Voeg dan de tomaten toe, en laat het geheel goed doorpruttelen op een laag vuurtje.

Als laatste voegt u de ansjovis toe, hoewel Augusto al opmerkt dat ansjovis ‘smelt’ is het nog beter om de ansjovis gewoon zeer fijn te snijden, voor een goede verdeling in de saus.

U dient de pasta op met Parmezaanse kaas of Pecorino.

11 foto: © Nora P. van den Berg

‘Je komt onder een auto’

Mijn slechte ogen heb ik van mijn grootvader. Aan het eind van zijn leven had hij een sterkte die dicht tegen de blindheid aan zat.  Dit jaar ben ikzelf bij de -10 aangekomen, en volgens mijn oogarts zal het met de jaren alleen maar erger worden.
Vorige week kreeg ik een oogontsteking aan mijn rechter oog. Het begon met kleine rode vlekjes op het oogwit, even later werd de pijn ondraaglijk en veranderde mijn hele oogbol in bloedbad en moest ik snel aan de antibiotica. ‘Als je je lenzen niet uitdoet, kom je er nooit vanaf,’ zei de oogarts, dus deed ik mijn lenzen uit, en diepte met tegenzin mijn oude bril op uit een la, die bril was zeker drie punten zwakker dan ik nodig had, en daarbij een model dat me totaal niet aanstond.
Na een halve dag was ik de bril zat en droeg ik in mijn goede oog een contactlens, en probeerde ik aan het wazige zicht te wennen, er moest een hele hoop gebeuren, en hoe ontstoken mijn oog ook was; het leven moest doorgaan.
Met een oog reed ik door de stad, deed boodschappen, bracht bezoeken aan mensen die bezocht moesten worden.
In een boekhandel zocht ik met toegeknepen ogen naar een titel, maar kon die nergens vinden. Ik kreeg al vrij snel hulp van de winkelier de mij vroeg waarom ik huilde. Ik wilde hem zeggen dat ik huilde om zijn boeken, maar had de durf niet. Het boek bleek voor mijn neus te liggen.
Elke morgen keek ik verschrikt in de spiegel, de roodheid verdween maar nauwelijks en ik kreeg steeds meer het idee dat ik opgesloten zat.
Het besef werd steeds sterker dat ik heel veel kon missen; desnoods een arm of een been, maar niet mijn ogen.
Onderweg, op de fiets, kneep ik mijn goede oog dicht, keek verdrietig met mijn zieke de straten door. Ik zag schimmen en lichtjes, contouren van auto’s en mensen. Ik had verwacht dat ik wanhopig zou worden, maar het viel mee. Als ik heel rustig door de straten reed, met flinke bogen mensen ontweek en hier en daar een korte pauze nam om nog eens goed te kijken, de wazigheid van het drukke verkeer op die manier goed in me op te nemen, was het zo gek nog niet.
De straten waren nu een wildernis, waar in elke hoek gevaar schuilging, maar was dat niet altijd al zo geweest? In de supermarkt zag ik geen hand voor ogen, schuifelde als een oude man tussen de schappen door, hield etenswaren dicht bij mijn oog; las etiketten met precisie, kon bijna de streepjes van de codes tellen.
Ook bekeek ik mijn handen steeds beter, ik zag de droogte, en zag hoe de droogte weer verdween. Ik bekeek vol belangstelling kleine pluisjes op mijn kussen, ik weet niet of die me op een andere manier opgevallen waren.
Ik zag dat het steeltje van een appel uit vezels bestond, dat de sleutels aan mijn bos allemaal even uniek waren, dat er veel geheimen schuilgingen tussen de toetsen op mijn toetsenbord.
Ook leek de afstand tussen mij en de mensen op straat steeds groter te worden, nu ik geen gezichten meer zag leek het bijna alsof ze niet meer bestonden. De gebouwen en de bomen kon ik niet missen.
Het was een perfect wazig oog, dat oog van mij.
‘Het is levensgevaarlijk,’ zei ze.
‘Ik vind het fijn,’ zei ik, ‘het is precies wat ik nodig heb.’
‘Je komt onder een auto.’
‘Die kans zit erin,’ zei ik en bekeek aandachtig de aanhechting van de filter van mijn sigaret.

Toen een paar dagen later de ontsteking overging was ik natuurlijk blij, en toen een dag later ook mijn andere oog geïnfecteerd bleek, was ik nog blijer.