Skip navigation

Monthly Archives: oktober 2009

hollandsmaandblad743In het Hollands Maandblad van oktober (nummer 743) staat een voorpublicatie uit Levi Andreas: het kortverhaal ‘One Happy Island’. Op de website van Hollands Maandblad is een kleine voorproef van het verhaal te lezen.

Advertenties

Tirade430

In het laatste nummer van Tirade (nummer 430) is de voorpublicatie van een brief te lezen uit mijn debuutroman Levi Andreas. Dit nummer van Tirade staat in het teken van de brief. Ook hou ik vanaf maandag 19 oktober tot donderdag 19 november een ‘brief-blog’ bij op de website van Tirade. Elke dag een brief, speciaal voor u natuurlijk.

‘Lieve ouders, “Dear Parents”, Niet schrikken, jullie zoon Marcus leeft nog,’ schrijft Kester Freriks. In dit nummer veel brieven en stukken over correspondentie. David Pefko: ‘Lief 22-jarig meisje, Ik ga je niet vertellen waar ik ben, want anders sta je morgenvroeg op mijn stoep of trek je de rits van mijn tent open, of kom je het casino binnenlopen terwijl ik aan de roulettetafel zit te verliezen, of erger, je loopt de kerk binnen waar ik trouw met een meisje dat ik net drie dagen ken.’ Jan Aelberts: ‘A, Ik weet dat het geen zin heeft je te schrijven. Als je een tafel hebt, zal deze brief die hooguit waterpas plaatsen’ en Herman Pieter de Boer: ‘Geachte Bestuursleden, Ik richt mij tot u met een wellicht ongebruikelijk verzoek, ik ben enigszins beschroomd maar toch ook vastbesloten om me te uiten.’ Verder een essay van Jan Fontijn over de epistolaire liefde tussen Stendhal en zijn zuster Pauline. Op 19 september 1809 schreef Stendhal haar: ‘Zelfs wanneer ik zou trouwen, zou ik je altijd meer beminnen dan mijn vrouw.’ Ulli Jessurun d’Oliveira haalt herinneringen op aan de begintijd van Tirade. Hij kwam in de redactie dankzij Gerard Reve, die hem in 1959 uitnodigde een stuk te schrijven: ‘Knappe maar ook Aardige jongen, We hadden het er gisteren juist over, hoe voortreffelijk het zou zijn als je Lucebert eens interviewde.’ Ester Naomi Perquin schreef vijf briefjes om aan te treffen of achter te laten op een nachtkastje, een tegel, een bank, een lichaam en in een fles. Volgens Bart Slijper bestaan de mooiste literaire brieven uit maar een paar regels en Willem Wittkampf toont zich in zijn brieven een uitstekende en opgewekte huisbewaarder. Hanny Michaelis leert ons dat brieven over klemmende straatdeuren, lekkende kramen, stinkende badkamers en zwammenkweken in wc’s fascinerend zijn om te lezen. Poëzie van Kreek Daey Ouwens en Anne Vegter en een verhaal van Franske de postbode, opgetekend door Pepijn Lievens.

Verhalen van Thijs de Boer en Michel Ramaker en poëzie van Paul Bogaert, Robert Anker, Kira Wuck en René Huigen.

TIRADE.NU

klik op de link voor de blog

beethovenstraat foto: © Nora P. van den Berg

Ik rookten samen met mijn broertje sigaren op een bankje aan de Minervalaan. We waren er van overtuigd dat alle grote criminelen sigaren rookte. Ook waren we tot de conclusie gekomen dat we ons aan moesten sluiten bij de maffia. De Maffia komt niet zomaar naar je toe dus moesten ze ons kunnen herkennen.
De voorbijgangers keken ons verbijsterd aan, soms zelfs met een afkeurende blik. We hadden de allergrootste sigaren gekocht die er te vinden waren.
‘Ze zien het,’ fluisterde mijn broertje die breeduit op het bankje was gaan zitten, met zijn gezicht in de zon, zijn benen ver uit elkaar, zijn sigaar in zijn mond. We zaten vaak op dat bankje, net zoals we vaak in lunchrooms zaten of in de grillroom van Ali. Mensen wisten dat ze te maken hadden met mensen die niet zomaar daar zaten. Ze konden volgens mijn broertje zien dat we grote plannen aan het maken waren, misschien zelfs plannen die uiteindelijk de hele wereld zouden veranderen.
Hij leed aan een lichte vorm van grootheidswaanzin, toen al. Zijn vorm was erg positief. Hij had een optimistische kijk op alles en iedereen.
‘Die moeder van ons, die moet nodig geholpen worden,’ zei hij opeens.
Onze moeder had last van angsten die niet alleen haar hele leven begonnen te beheersen maar ook de sfeer bij ons thuis. Ze kwam haar bed niet meer uit en las boeken die ze al honderd keer gelezen had. ‘Als ik niet hoef na te denken over mijn eigen leven dan geeft dat al een hoop lucht,’ zei ze daarover. Door haar toestand had ik constant het idee dat we met z’n drieën in een kleine oorlog verkeerden en dat de buitenwereld de grote vijand was geworden. Het was vooral gaande in mijn moeders hoofd, al stuurde ze langzaam haar strijdtroepen richting het onze.
Toen de sigaren op waren, besloten we maar snel naar huis te fietsen. We waren al een flinke tijd weg en ik zou koken die avond.
Ik bakte de biefstukjes en we speelde monopoly aan het bed van mijn moeder. Zij was de bank en mijn broertje won uiteindelijk. Hij won altijd, hoe vals ik ook speelde.
‘Ga je nog iets lekkers halen?’ vroeg mijn moeder.
‘Wat wil je hebben dan?’
‘Cake en iets zouts voor daarna.’
Samen fietsten we naar de avondwinkel in de Beethovenstraat. Het was naar ons idee de beste plek ter wereld. Voor mijn moeder gold hetzelfde. Hoewel ze er zelf zelden kwam werd ze gelukkig als ze aan hun Engelse cake met roze glazuur dacht.
‘We hadden eigenlijk onze pakken aan moeten doen,’ zei mijn broertje op de fiets. Op het Waterlooplein hadden we allebei een pak gekocht waarin we geloofwaardiger criminelen zouden zijn volgens hem.
‘Wil je terug?’ vroeg ik. We waren al bijna op de Apollolaan.
‘Nee, volgende keer, we gaan nu gewoon zo,’ zei hij terwijl hij zich door een rij auto’s voor het stoplicht wrong. Hij schold bestuurders uit maar ze hoorden hem niet.
Toen we de brug over waren zag ik langzaam de Beethovenstraat oprijzen. Ik zag de bank op de hoek, de tapijthandel en het uithangbord van de Italiaan waarvan wij vonden dat ze de beste pizza’s van de stad bakten. In de wildernis van de stad was deze straat ons domein. De Beethovenstraat behoorde in onze ogen tot een soort bedevaartsoord; hier waren de winkels waar we boodschappen deden nu mijn moeder haar bed niet meer uit wilde komen. De portieken om te schuilen voor regen en ander slecht weer waren alleen hier zo ruim dat je er met z’n tweeën in kon staan. Hier was de groenteman die zijn groente en fruit ‘mijn kinderen’ noemde, hier waren rond kerst de groene en rode lichtjes waar we toen we heel jong waren samen met mijn grootmoeder naar gingen kijken. In deze straat had een groot deel van onze jeugd zich afgespeeld. Het deel dat we min of meer zelf hadden gecreëerd; want de straat lag een flink eind van ons huis.
Voor de avondwinkel stond de zwerver die daar altijd stond. Hij had een gelige baard, rookte een pijp en dronk flesjes bier die hij bij de avondwinkel kocht. Op warme zomeravonden rook de hele straat naar zijn zoete tabak. Wij dachten dat hij Richard heette maar andere mensen noemden hem Koos en weer anderen Pietertje.
‘Ik woon wel en niet op straat,’ antwoordde hij toen ik hem vroeg of hij een zwerver was of een verwarde bewoner van de Beethovenbuurt.
‘Dus u kiest ervoor soms een dagje op straat te slapen, en de volgende dag slaapt u gewoon lekker thuis?’ vroeg mijn broertje terwijl ik mijn lach in probeerde te houden.
We hadden deze vragen al zo vaak gesteld. Het was een traditie geworden als we naar de avondwinkel gingen. Richard scheen het niet in de gaten te hebben.
Hij knikte en begon een lang verhaal over het terrasje voor de avondwinkel. Hij had het gesticht. Het was volgens hem een onmisbare plek in de stad geworden. Hij had dit verhaal al vaker verteld, maar we luisterden naar hem alsof het de eerste keer was, want als je op effect uit bent moet je zo goed mogelijk meespelen.
‘Waar zijn jullie ouders toch?’ riep Richard. (iets wat hij ook bijna elke avond vroeg).
‘Die zijn ver weg, heel ver weg,’ zei ik zuchtend.
‘Eigenlijk zijn we wezen,’ riep mijn broertje.
Richard keek naar de grond en ik dacht een moment dat hij huilde, om ons, de wezen. Maar hij bleek te zingen. Zachtjes zong hij een lied dat we niet kenden.
‘Die jongens zijn wezen!’ riep hij de avondwinkel binnen.
‘Ja Richard, wezen zijn ze, en ze willen onze Engelse cake maar die is op!’ schreeuwde de verkoper terug.
‘Hoe triest, ze zijn wezen en nu is de cake op,’ mompelde hij en begon een nieuw lied: ‘De cake is op, de cake is op, opperdepop.’
We kochten spekkoek en een reep Cote do’r, die met de papieren wikkel, waar twee afzonderlijk verpakte repen in zitten.
‘We moeten volgende keer bellen voor die cake,’ zei ik.
‘Ze moeten het gewoon op voorraad houden voor mama,’ zei mijn broertje.

‘Jezus,’ zei mijn moeder toen ze de spekkoek zag.
Ik vertelde dat hij op was.
Ze had eerst een ontroostbare blik in haar ogen maar glimlachte bij het zien van de reep chocolade.
Geluk is in het geheel niet moeilijk te verkrijgen als het in snoepgoed is gaan zitten.