Skip navigation

Monthly Archives: augustus 2009

DSC00989
Twee dagen geleden zijn we begonnen met het maken van een book trailer voor mijn debuut roman die in november zal verschijnen. Het leek behoorlijk veel tijd in beslag te gaan nemen, aangezien ik wat moeilijk te verwezenlijken wensen had, maar gelukkig viel dat allemaal mee. Filmer Daan zei: ‘Alles is mogelijk, ook als je denkt dat het niet kan, kan het.’
Zoiets vind ik erg fijn om te horen.
We kregen een dag de beschikking over het Hilton hotel in Amsterdam en filmden in de lobby, de liften en de gangen. Uiteindelijk ook in vier kamers waar zachte bedden stonden en pepermuntjes op de kussens lagen. De sfeer was uiterst kalm, de medewerkers van het hotel waren vriendelijk en zeer behulpzaam. De portier heb ik beloofd dat hij schandalig beroemd zal worden.
Al in het begin waren we opzoek naar de perfecte handen en voeten van een van de hoofdpersonen uit het boek, Rosa. Een dag voor het filmen hadden we die nog altijd niet gevonden en kwam de redding door L. die haar handen en voeten een paar uur wilde afstaan.
Hierbij bedank ik alvast Roberto Payer en alle medewerkers van het Hilton hotel voor hun bereidwilligheid en gastvrijheid, Daan voor het filmen en natuurlijk L, voor haar handen en voeten

DSC00985
Gisteren speelden de Duitsers virtueel tennis in het kantoor en dronken Maartje, Jan en ik wijn op ons dakterras. Tegenover het hotel zat bioscoop Calypso waar die avond Harry Potter films werden vertoond. We slingerden een dode plant tegen de gevel van de bioscoop. Het was een prachtig gezicht; het uiteenspattende aardewerk, de droge grond die door de lucht stoof. Ja, ik kan wel zeggen dat de dag toen pas goed begon.
Want geschreven hadden we de hele middag. De Duitsers zaten geconcentreerd voor hun computer schermen terwijl wij buiten aan een tafel zaten en luisterden naar Bob Dylan, Tom Waits en naar Markim die vertelde dat een van zijn vrienden ooit naar Cyprus vloog en daar op het vliegveld de grootste problemen kreeg. Zijn achternaam was dezelfde als die van een jarenlang gezochte oorlogsmisdadiger en hij moest aantonen dat hij geen banden met deze tak van de familie had. Dat was niet makkelijk volgens Markim, hij werd niet geloofd en werd Cyprus niet binnengelaten. Hij wilde toen via Israël terug vliegen, wat natuurlijk evenmin lukte. ‘En toen?’ vroeg ik. ‘Niets,’ zei Markim, ‘hij nam een trein terug naar München en at daar binnen de kortste keren weer een worst in veilige omgeving.’
Maartje Wortel was in de tussentijd verliefd geworden op haar bedlampje en wilde daar graag zo dicht mogelijk bij blijven, en dat snapten we maar al te goed.
Jan en ik besloten terug te gaan naar de plaats waar het allemaal was begonnen, het lichtpunt in de stad en vooral in onze hoofden: Louis.
Al uren daarvoor hadden we het steeds over hem. We vroegen ons af hoe het met hem ging, of hij zich ons nog zou herinneren, of zijn versterker het nog deed en of hij nog gelukkig was met zijn vriend. We hadden besloten Louis te gaan bedanken voor zijn gastvrijheid en hem vaarwel te zeggen.
Dus zwierven we door het bruisende centrum van Nijmegen en kwamen dronken mensen tegen, er stonden overal mobiele steunpunten van de politie en hier en daar ontstond ruzie, we liepen gestaag door.
Toen we tegenover Café De Verjaardag stonden zag ik dat er een gestreepte vlag aan de pui hing; dat was de eerste keer dat we er kwamen niet zo.
‘Dit is een heel slecht teken,’ mompelde Jan.
Vanaf de overkant van de straat bekeken we Louis die een roze poloshirt droeg en naar een aantal heren in leren broeken en hemdjes die aan de bar zaten. Eerst zwaaiden ze naar ons, toen waren er handgebaren dat we binnen moesten komen en toen zijn we maar snel doorgelopen.
Diep in de nacht gooiden we een half pak theebiscuit vanaf het terras op de straat, het was een mooi dof geluid, als zware regen.
De volgende middag op het station waren we het erover eens: wij hadden ons uiterste best gedaan.

DSC00936‘De derde dag in Nijmegen. Zover is het dus gekomen,’ zegt Jan Aelberts vanmorgen.
We hebben gegeten, gedronken, eindeloos veel pistache noten gebroken, gelachen om Markim, opgemerkt dat de Duitsers enorme hoeveelheden fruit naar binnen werken, gezien dat Nijmegen na een uur of tien in de avond veranderd in een stilte gebied waar weinig meer te beleven valt dan die stilte. De studenten waren vertrokken. We hebben naar de daken gekeken en de zendmasten van de mobiele telefoonaanbieders, zagen meer oude mensen dan ooit tevoren, vaak met kratten Warsteiner bier. Verder zijn we wat gaan drinken in een groot café waar we besloten weg te lopen zonder te betalen (wat overigens zeer gemakkelijk gaat in Nijmegen), bezochten een bioscoop waar niemand naar de kaartjes vroeg en liepen langs verlaten cafés, zoals dat van Louis.
‘s Avonds klommen we in de bedstee van het Extrapool en schreven in bed.
Maartje Wortel had haar bedlamp uit Amsterdam meegenomen om zich een beetje thuis te voelen. Blauw met een witte olifant en een hondje.
Het fijne van een stad als Nijmegen is dat ik niemand tegenkom die ik ken, ik weet ook vrij zeker dat dat de komende dagen niet zal gebeuren. Fijn is dat.
Wel is uit onderzoek gebleken dat in kleinere gemeenschappen en steden vaker depressies voorkomen, ook drugsgebruik en alcoholisme komen hier in hogere mate voor dan in grotere steden. Maar eenzaamheid en verveling staan misschien wel bovenaan het lijstje.

Hier
Station Nijmegen was minder klein en aandoenlijk dan in mijn fantasie. Ook was ik verbaasd over de drukte, maar die was goed te verklaren; de stad werd bevolkt door honderden studenten die zichzelf gingen pijnigen tijdens een introductieweek.
De kennismaking tussen de Nederlanders, Belgen en Duitsers verliep vlekkeloos. Er ontstond geen ruzie, wel werden er grapjes gemaakt over het teruggeven van fietsen, maar slechts kort. Er werd over Mein Kampf gesproken, maar dan alleen omdat iemand zei dat dit boek binnenkort weer te koop zou zijn bij de betere boekhandel. Dat deed me echt deugd.
‘s Middags zaten we in de tuin en werd het al snel duidelijk dat ik een nieuwe held ontdekt had: Markim, een van de organisatoren van project Hier. Een bijzonder enthousiaste man met een roze zonnebril, korte broeken en Birkenstocks (iets wat Maartje Wortel heel sexy blijkt te vinden) en een ingenieus apparaatje om zijn sigaretten mee te rollen. Ik zou het vanaf nu alleen nog maar over Markim kunnen schrijven, maar dat kan altijd nog.
We aten ijs en spraken over het fenomeen poetry slam waar ik tot op heden weinig van begrijp, de drie Duitsers waren echte slammers vertelden ze.
Eigenlijk hadden we moeten gaan schrijven, maar eerst moest er gedronken worden. Uiteindelijk, aan het einde van de avond liepen we langs een totaal verlaten café dat “de verjaardag” heette en besloten we te gaan darten, geschreven was er nog altijd niet.
Louis, de eigenaar van het café vertelde hoe hij net na de invoering van het rookverbod zijn café had gekocht. Het was weliswaar stil de laatste maanden, maar Louis was hoopvol, hij wist dat alles goed zou komen. Tijdens de avondvierdaagse stond zijn café bomvol en viel precies om twaalf uur de muziek uit. Zijn versterker was doorgebrand. Louis vertelde, met een sigaret tussen zijn vingers, een glas bier in zijn hand: ‘Maar toen gebeurde het… iemand kwam naar me toe en zei: “Louis, ik ga mijn versterker thuis halen en dan gaat het feest gewoon door!” en zo geschiedde jongens, zo zie je wie je echte vrienden zijn, dat alles weer goed komt.’
Eerst won Dennis Gaens, toen Jan Aelberts en uiteindelijk won ik niet.
Later in de nacht vertelde Louis dat hij veertien jaar met een vrouw samenleefde en nu al weer tien jaar met een man. ‘Dit is min of meer een homo café,’ fluisterde hij, ‘ik hoop dat jullie dat wel weten.’
Dat wisten we niet, maar zo gaan die dingen dus: voor je het weet stop je met schrijven en ga je darten in een homocafé.

Hier
Tussen 20 en 25 augustus zal ik hier verslag doen van het project Hier van literair productiehuis Wintertuin.
Ik verblijf die dagen in Nijmegen, vrij uniek, aangezien ik al jaren alle Nederlandse steden behalve Amsterdam zo goed mogelijk probeer te vermijden. Nu zal dat dus gaan veranderen. Ook zal ik voor het eerst van mijn leven in een drukkerij slapen.
Tijdens deze periode zullen drie Nederlandse schrijvers (Jan Aelberts, Maartje Wortel en ikzelf) samenwerken met drie Duitse schrijvers ( Matthias Reuter, Jonas Jahn en Martin Hyun ) en werken aan ‘stadsverhalen’ die later dit jaar in boekvorm zullen verschijnen.
Een tour zal volgen en wellicht zal ik in nog veel meer drukkerijen slapen.
Meer informatie is te vinden op de website van ‘de’ Wintertuin

DSC00850

Athene, april 1967.

Toen de militaire staatsgreep plaatsvond was mijn vader net tien jaar geworden. Hij hield van de natuur en van zijn vier jaar jongere zusje. Hij hield ook veel van de patat die zijn moeder maakte.
Zijn vader was een communist en een groot Theodorakis liefhebber, maar vanaf april dat jaar zette hij pontificaal, in het bijzijn van al zijn buren, zijn langspeelplaten bij het grofvuil en hield vanaf dat moment zijn mond, dat leek hem veiliger. Aan de eettafel was zijn vader nog steeds een communist, en neuriede hij zachtjes Theodorakis, maar alleen als hij zeker wist dat niemand het kon horen.
Mijn vader speelde in die tijd met de kippen in de tuin. Zijn vader had een heleboel kippen die bij elkaar voor een enorm aantal eieren zorgden. Een keer per week verkocht hij al zijn eieren aan een melkwinkel in de stad. Mijn vader had vanuit zijn kamertje uitzicht op de ren. Hij hield van het zachte, tokkende geluid dat ze `s nachts maakten. Soms, als hij eenzaam was, nam hij er een in bed en legde zijn oor tegen de borst om naar het hart te luisteren.

Athene, juni 1973.

In de zomer van 1973 werkte hij als barman in Rafina, de badplaats van Athene, bij de enige discotheek die er toen was; ‘De Paolo’, eigendom van een Italiaanse pizza-bakker uit Ancona
Elke middag rond een uur of twee stond hij op en kamde zijn haren, sprong op zijn motor en reed door de bossen naar de badplaats. Als hij een beetje van zijn zadel omhoogkwam kon hij de kustlijn zien.
Elke avond zoop hij zich klem, en elke avond vree hij met een ander meisje in de voorraad- schuur van Paolo. Hij hield een klein boekje bij waarin hij de namen en adressen van de meisjes opschreef.

Athene, september 1973.

Net na de zomer kwam er een einde aan zijn jeugd. Hij reisde elke morgen de 43 kilometer naar het centrum, op de motor. Hij droeg een leren jasje waar hij in de zomermaanden voor gespaard had, op zijn hoofd een moderne Amerikaanse zonnebril die hij op de zwarte markt had gekocht, een strakke jeans en cowboy laarzen.
Bij de polytechnische school waar hij elke morgen naartoe ging maakte zijn vrienden, die allemaal uit betere families kwamen dan hij, opmerkingen over zijn ouders. Ze vonden zijn ouders boeren, en in principe waren ze dat ook, zo kwam hij er vanaf dat moment pas achter dat hij zijn tanden moest poetsen.
Nu vond hij zijn ouders ook boeren, vond de handel in eieren van zijn vader triest en zijn moeder die taarten bakte voor een groot hotel een zielige vrouw.
Hij schreef gedichten onder een pseudoniem voor het krantje van de school, zijn vrienden vonden ze heel gedurfd. Ze luisterden naar Rembetika en droegen kleren die verboden waren.
Zou hij, toen hij zijn frappe dronk en zijn Marlboro sigaretten rookte, dromend over zijn carrière als dichter, enig idee hebben dat op die plek waar hij tegen de muur leunde, later dat jaar een tank naar binnen zou rijden? Vast niet.

Athene, november 1973.

Terwijl op 17 november de studenten ‘Wij zijn jullie broeders!’ naar de militairen riepen lag mijn vader in bed, onder een dikke stapel dekens. Het was koud die nacht.
Er vielen tientallen doden, enkele van zijn vrienden zaten erbij. Zijn moeder zei: ‘Zie je wat er van komt? Snap je het nu?’
Dat najaar werd hij opgeroepen voor zijn dienstplicht. Hij ontving het nieuws per brief en huilde in de armen van zijn vader. Van zijn vrienden was hij vrijwel de enige die niet aan de dienstplicht zou ontkomen, hun ouders waren juristen, politici en weigerden hun zonen het leger in te sturen. Voor hem konden ze niets doen, zeiden ze.

Athene, december 1973.

Hij schoor zijn hoofd kaal en melde zich bij de legerpost. Zijn leren jas had hij thuis goed opgeborgen, evenals zijn jeans en zonnebril.
Na twee dagen plaatsten ze hem in een psychiatrisch ziekenhuis omdat hij de hele dag zijn hoofd tegen de muur sloeg. Het had effect: hij kreeg medicatie die hij in een van zijn rotte kiezen duwde en bedacht zich dat het zijn hele kindertijd zijn tanden niet poetsen toch nog van pas was gekomen.
Twee weken later ontsnapte hij in de nacht uit de kliniek en zat om even voor tweeën in de achtertuin van zijn ouderlijk huis naar de kippen te kijken. Wat waren ze rustig en onbezorgd.
Zijn moeder huilde en zijn vader pakte spullen in, voornamelijk fruit uit de tuin. Met een grijns overhandigde zijn vader hem bij vertrek een Theodorakis plaat die hij verborgen had gehouden in de schuur.
‘Ik ben een dichter,’ huilde hij, ‘ik ben een dichter!’

Athene, januari 1974.

Vrijheid ligt in het verschiet, vrijheid die voor hem op dat moment een briefkaart betekende die hij van een hevig verliefd meisje uit Nederland heeft gekregen. ‘Come over if you want’ staat er in grote letters.
Come over if you want stond er, en daar stond hij, met zijn kaalgeschoren hoofd met een roos in zijn hand, in zijn jeans en leren jasje, in de Blankertstraat in Amsterdam.
En ‘Ohjee,’ was wat ze zei toen ze hem vanaf haar balkon zag staan.

Amsterdam, mei 1974.

Zie hem daar toch lopen door de Kinkerstraat, de straat waar hij later een lang gedicht over zou schrijven:‘Kinkerstraat, street of desire’
Nu nog geen maand later heeft hij de banden met zijn vaderland afgesneden en trotseert regen en onweer, hij weet niet goed hoe hij aan geld moet komen, maar maakt zich geen zorgen, hier in Amsterdam is alles mogelijk. Dat weet hij. Dat is hem verteld.

Amsterdam, augustus 1974.

Zijn lange zwarte haar heeft hij laten modelleren naar zijn nieuwe held: Bod Dylan. Hij draagt strakke leren broeken en cowboylaarzen en Afghaanse jassen van het Waterlooplein.
Hij is nu een kunstenaar geworden in de breedste zin; hij tekent en fotografeert, dichten doet hij steeds minder, en de luttele gedichten die hij schrijft zijn bij ontstaan al voorbestemd voor hemzelf te blijven. Dat heeft hij besloten.
Komt het omdat ze niet goed genoeg zijn? Of door zijn dromen die in een paar maanden tijd een andere wending hebben gekregen? Ik denk door een combinatie van beiden.
Om aan geld te komen verkoopt hij spullen op het Waterlooplein, vooral spullen die hij op straat heeft gevonden; veel serviesgoed en kleding, ook boeken en platen.

Amsterdam, november 1974.

Dat het eens zo koud kon worden, dat hij nooit gedacht. Als kind warmde hij zich aan een klein kacheltje in de woonkamer. Nu in Amsterdam is het gas en licht afgesloten. Hij leest Rimbaud en Marquez op zijn matras op de grond.
Hij houdt er rekening mee dat hij niet heel oud zal worden. Toen hij zestien was wist hij zeker dat hij de vijfentwintig niet zou halen, nu hij negentien is zal de dood ergens rond zijn dertigste zijn intrede doen. Zijn drugsgebruik en alcoholinname zullen daar een handje bij helpen, dat weet hij vrij zeker.