Skip navigation

Monthly Archives: januari 2009

Door het literair collectief KRAAI ben ik gevraagd om een column te schrijven. Ik stemde daar natuurlijk mee in, dat begrijpt u wel.

 De eerste column heet: “Verdelging van de vijanden (in en rond het huis)” en is via de website van Kraai te lezen, dus klik snel: KRAAI             

obama4

Chickenwings

‘Kan die vrouw niet een beetje opschieten? Wie is dat eigenlijk?’

‘Weet ik veel, waarom duurt dit zo lang?’

(stilte)

‘Waarom zoomen ze steeds in op die kale man achter hem, wie is die kale man?’

‘Beveiliging denk ik.’

‘Het is er echt vreselijk koud, ik heb nog nooit zoveel mutsen gezien.’

‘En rookwolkjes uit monden.’

(stilte en gezucht)

‘Ik dacht dat die al dood was…’

‘Moeten we daar ook nog naar gaan luisteren?’

(stilte en muziek)

‘Hij bedankt hem, het is niet te geloven!’

‘Ja, wat moet hij anders, hij kan toch niet anders?’

‘Dat weet ik wel, maar uit zijn mond klinkt het zo raar. Weer die kale man, wat heeft die kale man er in godsnaam mee te maken?’

(stilte)

‘Over in godsnaam gesproken..’

‘Jezus.’

‘Altijd weer.’

(stilte)

‘Ik vraag me echt af wanneer het gaat gebeuren. Jij hebt er toch verstand van?’

‘Ik zie niets vreemds, alleen die kale man.’

‘Nee dat is beveiliging, zie je die man daar?’

‘Waar?’

‘Links, achter die vrouw met die enorme hoed.’

‘Die ziet er verdacht uit ja.’

(stilte)

‘Wat een slechte vertaling, er klopt echt niets van.’

‘Kan hij niet opschieten, ik heb honger.’

(stilte)

‘Het lijkt wel of hij werkelijk de hele geschiedenis…’

‘Kijk, kijk!’

‘Wat?’

‘Weer die kale man!’

(stilte)

‘Ik word ook nog steeds niet geholpen in winkels.’

‘Dat komt omdat jij onbeschoft bent in winkels, niet omdat je zwart bent.’

(stilte)

‘Als ik het woord “god” nog een keer hoor..’

‘Is hier eigenlijk nog een Kentucky Fried Chicken in Amsterdam?’

‘Hoezo?’

‘Ik heb opeens zin in chickenwings.’

11703 

Terwijl Dolores voor het raam naar de kinderen op het ijs keek moest hij aan zijn ouderlijk huis denken, dat prachtige huis midden in de oude stad.

  Hij bedacht zich dat alle kinderen die hij vanachter zijn vensterbank over het ijs zag schuifelen een ouderlijk huis hadden waar ze zo dadelijk naar binnen zouden gaan, waar het behaaglijk warm was en waar ze zich zouden ontdoen van hun dikke jassen en waar misschien iemand een kop warme chocolade voor ze zou maken.

  Dolores had zich de afgelopen dagen goed bevoorraad, zijn keukenkastjes puilden uit van het eten, zijn koelkast zat vol met dingen waar hij zo van hield, soms liep hij voor de lol naar de keuken om even naar zijn voorraad te kijken, soms streelde hij ongemerkt een blik soep.

  In het land waar hij vandaan kwam was geen ijs, of in ieder geval geen winter zoals in dit land.

  Er was tango, en vroeger was hij de beste tangodanser van zijn dorp geweest.

  Voor zijn kachel bekeek hij de foto’s van vroeger. Hij zag zichzelf dansen met een meisje waarvan hij met geen mogelijkheid meer kon bedenken wat haar naam was, hij wreef met zijn knokige handen over het fotopapier en wist opeens heel zeker dat de tango zijn oude lichaam verlaten had.

  De dagen dat het begon te vriezen was hij bang geweest, hij tuurde elke ochtend naar de keitjes op de straat die steeds gladder werden, hij dacht zelfs een moment aan de mogelijkheid dat hij deze winter niet zou overleven, dat hij letterlijk dood zou vriezen.

  Om even voor vieren ging de telefoon, maar hij nam niet op.

  Hij schoof de vitrage verder open en keek naar de grauwe lucht die bijna wolkeloos was, de kale bomen aan de kade. Hij vond de winter angstaanjagend maar durfde dat aan niemand te zeggen. Hij was een tangodanser; een echte man.

  Elke ochtend als hij zijn ogen opende rakelde hij dezelfde informatie op; de datum, het jaar en zijn leeftijd, soms het jaar waarin hij naar dit land was vertrokken. Dat jaartal leek steeds verder weg en het klonk uit zijn mond bijna als een schreeuw om hulp, maar ook daar wilde hij niet aan toegeven, hij, de beste tangodanser van het dorp.

  Vroeger kwamen er nog wel eens mensen over de vloer, hij zette dan thee en smeerde soms een boterham, maar eigenlijk was de enige, steeds terugkerende bezoeker, de man die de meterstanden op kwam nemen, en die wilde tot zijn verdriet geen boterham en zelfs geen thee.

  De kinderen vielen her en der en soms stormde er een bezorgde ouder van de kant het ijs op om tranen te drogen. Hij had geen idee hoe het moest voelen; het koude ijs tegen je kindergezicht.

  Overal zag hij stoeltjes, felgekleurde mutsen en rookwolkjes uit monden. Hij vroeg zich af of dat wat hij zag plezier was, of plezier er zo uitzag.

  Hij schuifelende naar de keuken en maakte een kop soep, hij keek weer tevreden naar de inhoud van zijn kastjes, als het moest zou hij weken voort kunnen, een winterslaap zou helemaal niet zo’n gek idee zijn, hij zou zich opsluiten in zijn warme huis, hij zou in zijn bed gaan liggen met een boek, hij zou de dagen voorbij laten gaan en dromen over de dingen die hij zich nog wist te herinneren.

  Zijn ouderlijk huis was een krot, dat durfde hij nu wel tegen zichzelf te zeggen. De felle kleuren waarin het geschilderd was waren alleen nog maar een herinnering, elk bewijs leek te ontbreken in het zwartwit album, hij huilde zachtjes toen hij zijn moeder over de wastobbe gebogen zag staan.

  Het begon langzaam donker te worden, hij tuurde naar buiten en zag na enige tijd zijn spiegelbeeld in zijn venster. ‘Ik ben een tangodanser,’ zei hij tegen zijn spiegelbeeld.

 

Even na vijven trok hij zijn winterjas aan, zette zijn hoedje op zijn hoofd en bekeek zichzelf in de spiegel; zijn witte haren leken om zijn hoofd te vlammen, zijn tanden waren met de jaren bruin geworden, zijn handen waren door reuma van vorm veranderd. Hij ging met zijn vingers door zijn baard, die nog even vol en wollig was als veertig jaar geleden.

  Met flinke passen betrad hij de woonkamer en sleepte een van zijn stoelen naar de gang. In de gang verloor hij de moed opeens en zakte neer op zijn stoel. Hij hoorde de kleine kreetjes van buiten komen. ‘Zo klinkt plezier, Dolores,’ zei hij tegen zichzelf en hield zijn oude hoofd in zijn handen, hij vroeg zich opeens af of men het zou opmerken, of het aan zijn manier van lopen nog was te zien.

  De laatste jaren vergat hij steeds meer, en eigenlijk werd dat alleen maar erger, tot de dag dat hij verdwaald raakte in het centrum. Hij stond op een plein maar wist niet meer welk, hij liep straten in die hem vreemd voorkwamen en belandde even later in een bibliotheek waar hij zijn broer belde en hem om advies vroeg. ‘Je moet niet zover meer van huis gaan Dolores, blijf in de buurt, dat doe ik ook,’  had hij gezegd.

  Hij had toen besloten te oud te zijn om te verdwalen, te oud om bang te zijn.

  Toen de telefoon weer ging nam hij hem op.

  ‘Koud hè,’ zei zijn broer.

  ‘Heel koud,’ zei Dolores.

  ‘Wees voorzichtig, het is glad.’

  Hij tuurde naar het ijs dat nu verlaten leek te zijn, hij keek verwonderd naar de reflectie van de telefoondraad die eruit zag als een lange, kringelende rookpluim, maar dan de verkeerde kant op.

  ‘Ik moet weg,’ zei hij en hing op.

  Even later stak hij de straat over, de stoel achter zich aan slepend, zijn handen zo nu en dan in elkaar wrijvend van de kou.

 

Om even voor half zes betrad hij het ijs en duwde zijn eetkamerstoel voor zich uit, er was bijna niemand om hem heen, hij voelde de kou door zijn schoenzolen omhoog kruipen, het ijs leek hel verlicht. Hij was een tangodanser.