Skip navigation

Monthly Archives: april 2009

sterk

Ongeveer vijf jaar geleden zag ik je voor het eerst. Je stond in avondverkoop Sterk in de de Clercqstraat. Je had moeite een keuze te maken tussen twee soorten kaas: cheddar en magor, ik heb geen idee welke van de twee het is geworden, maar dat doet er nu ook niet meer zoveel toe, want je bent nu dood.
Ik maakte in die tijd (ik was toen twintig) vele fietstochten door de stad. Ik vertrok meestal `s avonds, omdat ik Amsterdam dan het fijnste vond. Het leek alsof de stad in de avond spannender werd, ik fietste vooral door het centrum waar ik toen woonde, over de grachten. Bij die avondwinkel eindigde vrijwel elke tocht.
Overdag fietste ik ook, maar heel anders dan `s nachts. Kon ik `s nachts met de fiets aan mijn hand ongestoord naar gebouwen kijken, over mijn stuur geleund naar de drukte rond het centraal station, naar de zwervers op de Haarlemmerdijk; overdag reed ik er allemaal met grote vaart langs.
Ik weet nog dat ik vooral enorm jaloers op je was, want jij deed wat ik wilde doen; alles beschrijven wat je om je heen ziet, haarfijn, zonder jezelf of iemand anders te sparen. Jij kon de stad beschrijven als geen ander, in enkele zinnen schetste je een beeld of situatie die zo treffend was dat ik er van schrok, en dacht: ‘Verdomme, doet ie het weer.’
Als je op mensen gaat letten die je niet tegen wil komen kom je ze meestal steeds vaker tegen, dat heb ik gemerkt. En ik kwam jou vaker tegen dan goed voor me was. Ik was toen nog handelaar in vodden en lappen, ik wilde doorbreken in de wereld van vodden en lappen, maar dat bleek een moeilijke opgave, daarna wilde ik trouwens gewoon doorbreken, of dat nou in de wereld van de vodden en lappen was, of in wat dan ook; doorbreken.
Jij was de belichaming van dat doorbreken, je zag eruit als een rockster, met je zonnebril in je haar en je modieuze jasjes en broeken. Je had werk kunnen maken van wat je om je heen zag, eigenlijk hield je werk voornamelijk in heel goed om je heen te kijken. Ik was jaloers.
Een keer zat ik naast je in café Luxembourg op het Spui, je keek een beetje verstard voor je uit, je voelde je niet erg op je gemak, je at twee kroketten op brood. Ik vroeg me toen af hoe het moest zijn om jou te zijn. Naast mij zat een echtpaar, ze zaten naar je te kijken. De man zei tegen zijn vrouw: ‘Praat niet te hard, anders staan we morgen in Het Parool.’
Volgens mij was je toen net bezig Simon Carmiggelt te overstijgen.
Je was iemand die gewone dingen bewust niet voorbij liet gaan, die schijnbaar onbelangrijke dingen opeens belangrijk maakte. En wat was ik vreselijk jaloers! (Maar dat zei ik net al)
De laatste keer dat ik je zag was in een café in de Bosboom Toussainstraat. Je kwam binnen toen ik net vertrok, je zag er goed uit, als een oude rockster. Ik overwoog je aan te spreken, maar had geen idee wat ik moest zeggen. De barman zei: ‘Jeetje ik dacht dat je dood was!’ je moest hard lachen en zei: ‘Nee, ik ben er nog!’ en wees naar jezelf.
Nu ben je dus dood, en iemand zoals jij zal er vast nooit meer komen, maar ik weet heel zeker, dat als je daar zou kunnen smsen, jij de aangewezen persoon zou zijn om ons in één bericht precies te vertellen hoe het daar is.

David Pefko

Advertenties

1998_the_big_lebowski_001

Mijn moeder zei: ‘Dit moet de meest onvergetelijke verjaardag van mijn leven worden!’

Mijn broertje zei: ‘Laten we in godsnaam doen wat ze wil, anders zeikt ze er nog een jaar over.’

Mijn grootmoeder zei: ‘Waarom vraagt ze toch altijd veel te dure dingen, weet ze dan niet hoe arm ik ben?’

Mijn geliefde zei: ‘Ik neem na college meteen de eerste trein naar Amsterdam.’

De Barones* zei: ‘Godverdomme!’(De Barones zegt niet veel anders dan ‘godverdomme’, dat u het weet)

Ik zei: ‘Goed, als je dat wil, maar dan gaan we bowlen.’

 

We gingen bowlen. We hadden twee banen voor onbepaalde tijd gehuurd, er waren veel mensen om ons heen die het spel zeer serieus namen, wij hoorden daar niet bij.

  Mijn team bestond uit De Barones, mijn grootmoeder, mijn geliefde en ikzelf. Mijn grootmoeder zei toen ze haar bowlingschoenen aanhad: ‘Jij moet op mijn tas letten, als ik aan de beurt ben moet je hem vasthouden. Alles wat ik heb zit in die tas, alles!’

  De Barones dronk bier, wij cola. Ze zei steeds: ‘Haalt iemand nog een lekker pilsje voor me?’ maar niemand had zin. Dan riep ze ‘Godverdomme’ en ging zelf. Ik vulde haar plaats dan op en gooide de bal regelrecht in de goot. ‘Godverdomme!’ riep ze als ze terugkwam en haar punten zag.

  Mijn moeder begon ermee, dat weet ik vrij zeker. Ze gooide een strike en riep: ‘Nobody fucks with Jesus!’

  Mijn grootmoeder stond versuft naar de bowlingbal te kijken als die steeds met kleine slingers in de goot terecht kwam. ‘Jammer,’zei ze. Vroeger waren het strikes, of zelfs meer, dan maakte ze een sprongetje en plantte haar duimen achter denkbeeldige bretels.

  Nu hield ze haar handen op haar rug en mompelde: ‘Dit gaat niet goed.’

  Wij deden niet zoveel, stonden voornamelijk aan de kant naar mijn familie te kijken. ‘Vind je ze gestoord?’vroeg ik. ‘Nee,’zei ze, ‘helemaal niet.’

  ‘Nobody fucks with Jesus!’riep De Barones, maar daar lette ik niet op want ze is geen familie, al denkt ze soms van wel.

  Mijn broertje was de beste van ons allemaal, hij behaalde uiteindelijk in zijn eentje een veelvoud van de punten die wij bij elkaar haalden.

  Mijn grootmoeder liet wat beurten voorbij gaan omdat ze een sms kreeg die beantwoord moest worden, ze was ook zenuwachtig geworden omdat het later en later werd en de stadsmobiel haar op zou komen halen.

  Wij hadden het over mijn onderbroeken. Er was iets goed mis met ze.

  De spelers naast ons kregen last van het geschreeuw, ze vroegen of we wat stiller konden zijn en niet steeds ‘dat ene’ over Jesus wilde zeggen. Mijn broertje zei: ‘Dit is mijn moeders verjaardag, het moet onvergetelijk worden, dus bemoei je met je eigen zaken, mannetje!’

  ‘Maar ik vind het charmant,’ zei mijn geliefde, ‘het heeft iets liefs.’

  En charmant was het, ook ik vond ze charmant. ‘Maar ik had het willen weten, het ging zo snel,’ zei ik.

  ‘I’m a big roller!’riep mijn broertje en deed een loopje zoals alleen hij dat kan.

  ‘We gaan nieuwe kopen,’ fluisterde ze.

  Die middag had ik tot mijn grote verbazing gezien dat er in al mijn onderbroeken gaten zaten, sommige waren al heel oud, weliswaar van goede kwaliteit, maar oud. Nu waren ze allemaal gaan scheuren, onder het kruis, geen een bleef heel, alsof het een afspraak was.

 

 Later belde mijn grootmoeder en zei: ‘De chauffeur was een hele rare man, hij zei dat hij het liefste op een onbewoond eiland wilde wonen, om dichter bij god te zijn. En het gekke is, ik ben wel veilig thuis gekomen. Is dat niet opmerkelijk?’

  Ik zei dat ik er geen andere woorden voor wist en bekeek mijn vele gescheurde onderbroeken die allemaal op een hoopje in de hoek van de kamer lagen. ‘Heel opmerkelijk,’ zei ik.

 

* De Barones is geen echte barones, maar had er een kunnen zijn. Wel bewoont ze een klein kasteel in het noorden van Frankrijk.

dscn1976

Als ik de schaduw opzoek ligt er al een ander. Ik hou niet zo van de zon, alleen in februari, dan is de zon het fijnste wat ik ken, dan voel ik dat mijn oude lijf alles weer doorstaan heeft; de kou en de vochtigheid op alle plekken waar ik in slaap val.
Vanmiddag liep ik met iemand een eindje op, het was een jonge vrouw in een zomerjurk, met een klein hoedje op. Ze glimlachte, maar bij het stoplicht had ze genoeg van me en joeg me weg.
Ik denk dat niemand zoveel naar de grond gekeken heeft als ik, dat bijvoorbeeld niemand weet hoe ontzettend veel insecten op weg zijn naar een andere plek. Soms volg ik mieren, of kleine torren, maar uiteindelijk raak ik ze altijd kwijt. Ik geloof dat de insecten het een stuk beter hebben dan wij, het lijkt wel of ze een uitweg hebben gevonden, ze kunnen verdwijnen in kieren en spleten, in riolen, waar ik niet bij kan.
Die man, daar aan het einde van de straat heeft me mijn naam gegeven, dat schept een band. Als ik hem `s ochtends uit zijn huis zie komen groet hij me, soms geeft hij alleen een knipoog en altijd loop ik met hem mee, tot aan de kiosk, waar hij wat te eten koopt, meestal zo’n rond broodje met een gat, wat naar niets smaakt maar wel goed vult. Vaak eten we samen, dan krijg ik de helft.
Soms val ik in slaap op een plek van een ander, of ergens waar ik denk dat ze me niet aardig vinden, ze jagen me dan weg, soms schreeuwen ze tegen me, maar ik hoor het allang niet meer.
Mijn dromen zijn heel eenvoudig, mijn dromen gaan over achtervolgingen, over alle plekken waar ik ooit ben geweest. Over de tijd toen ik mijn ogen nog gesloten had en rondkroop op onbekende plekken. Over de schoppen die ik heb gekregen, en de strelingen, over al mijn kinderen, die soms opduiken in stegen of parken.
Aan het einde van de straat is een koele plek, op het marmer. Ik kan goed aanvoelen of ik de eerste op die plek ben, de eerste op die dag; marmer houdt warmte langer vast dan je denkt.
Hij, daar aan de overkant, daar bij dat terras, dat is een fanatieke; hij weet heel goed dat de mensen hem aandoenlijk vinden, met al zijn mankementen en zijn gezucht en gesteun. Als het echt moeilijk wordt en hij heel veel honger heeft, doet hij kunstjes voor eten.
Wat niemand snapt is dat het leven stil staat. Dat iedereen druk heen en weer rent maar er niets verandert, dat alles altijd precies hetzelfde zal blijven. En toch rennen ze rond mijn voeten, en missen op een haar na een bus. Schelden alsof de wereld zojuist vergaan is.
Ik moet toegeven, sommige dagen zijn mooi, als er een koel briesje door de straten waait, en de lucht stralend is, en ik mijn buikje rond heb gegeten en zicht heb op nog wat. Dan denk ik: ‘Deze dag komt nooit meer terug,’ maar al snel bedenk ik dat alle dagen hetzelfde zijn.
Daarom lig ik hier. Daarom beweeg ik zo min mogelijk.