Skip navigation

Monthly Archives: mei 2009

Illusies op de millimeter of het gevaar van de clown (3)

Het slot van deze en deze

De nacht die vooraf ging aan mijn date met clown Benno, sliep ik bijzonder slecht.
Ik droomde over een circus in de jaren vijftig. Ik zag een slangenmens en een lilliputter, een aantal clowns die stiekem bier dronken achter de woonwagens. Ze hadden allemaal hese stemmen, net als Bob Dylan die de hele tijd ‘Desolation Row’ zong.

Ik kan niet anders zeggen dan dat Benno er in zijn nette kleren precies zo uit zag als ik had gedacht: Een spijkerbroek, wit overhemd met drukknoopjes en een leren colbertje, (ik had ‘jasje’ willen schrijven, maar in dit geval was het echt een ‘colbert’) witte sneakers met klittenband, gouden kettingen om zijn nek. ‘Ik ben helemaal het mannetje,’ zei hij en stak zijn handen nonchalant in zijn broekzakken. Ik zag de gouden ringen aan zijn vingers.
‘Je ziet er goed uit,’ zei ik.
‘Potent,’ zei hij.
We namen de tram naar het centrum en onderweg bestudeerde ik de ringen aan zijn handen; er zat er een tussen met een grote robijn. ‘De ring van sinterklaas,’ zei hij en trappelde van opwinding met zijn voeten. Ik had iets kunnen zeggen in de trend van: ‘Ja jongen, nu gaat het allemaal beginnen.’ Maar ik zei niets.
De clown zei: ‘Dat lijkt wel een enorme lul!’ toen hij het monument op de Dam zag.
Vroeger liep ik wel eens door de stad met een vriend of vriendin en had dan de behoefte om te verdwijnen. Ik dacht dan aan mogelijkheden om een steeg in te duiken en hard weg te rennen, mijn fiets op te zoeken en het centrum uit te racen. Naast Benno was dat anders; ik wilde het voor geen goud missen.
We dronken bier op een terras en ik zag hoe onrustig hij om zich heen keek, met zijn handen een ritme tikte op de tafel. ‘Waar is het eigenlijk?’ vroeg hij.
‘Niet ver hier vandaan,’ zei ik en wees zomaar een richting op.
‘Ow, oké,’ mompelde hij en nam een flinke slok bier.
‘Heb je een voorkeur?’ vroeg ik.
Hij boog zich over het tafeltje en fluisterde in mijn oor: ‘Dikke billen, grote tieten.’

Toen hij zijn vijfde biertje achter de kiezen had, werd hij ongeduldig. ‘Breng me erheen!’ riep hij.
Onderweg at hij drie grillburgers bij de Febo in de Stoofsteeg. ‘De lekkerste die ik ooit gegeten heb, echt waar,’ zei hij en dronk nog een blikje bier. ‘Niet te dronken worden, anders…’ begon ik.
‘Anders wát! Anders wát?’ brulde hij.
‘Anders krijg je straks ruzie.’
Hij moest lachen, trok nog een kalfsvleeskroket en zei: ‘Ik ben net zo potent als Mohammed, dat verzeker ik je.’
Toen we langs de ramen liepen keek hij steeds naar de grond.
‘Is er iets niet goed,’ vroeg ik nog, maar hij schudde zijn hoofd en sjokte door de kleine steegjes waar hij tegen elk blikje dat hij tegenkwam, trapte.
Ik was de parasiet, Benno mijn gastheer.
Bij een seksshop liep hij naar binnen en voelde aan lingerie. Een paar minuten keek hij naar een aantal attributen in een vitrine: onder andere een Amsterdammertje van zwart rubber vond hij heel interessant.
‘Benno, je moet wel een keuze maken,’ zei ik toen we voor een tiental ramen stonden. Hij liep steeds van het eerste naar het laatste raam en keek naar de grond.
‘Ik kan wel iemand in elkaar slaan weet je dat?’ zei hij leunend tegen een muur. ‘Ik wil nog een biertje.’
‘Waar zijn de jongens eigenlijk?’ vroeg hij aan de verkoper in de souvenir winkel waar hij bier kocht. ‘Jongens? Die zijn er wel hoor, kijk hier maar eens om de hoek.’
Jongens, dat kan natuurlijk ook, dacht ik.
Toen we een schimmig pand inliepen waar toeristen de weg versperden zei hij: ‘Jezus ik ben geil als een otter.’
Hoe het precies gekomen was weet ik niet meer, maar wat vast stond was dat de clown opeens niet goed werd. Eerst kotste hij tegen een auto, later zat hij ineen gedoken op de Oudezijds- achterburgwal, met zijn hoofd tussen zijn handen. Met zijn laatste kracht sleepte hij zich een seksshop in waar hij op de toonbank ging hangen. Hij vroeg een paar keer: ‘Waar zijn de jongens nou?’ aan de verkoper die niet op of om keek en de krant las.
‘Vroeger sloeg ik wel eens iemand in elkaar weet je dat?’
Ik knikte. Als ik naar zijn grote handen keek kon ik me daar alles bij voorstellen.
‘Ik was zo agressief man, niet te geloven! Ik heb wel eens iemand zo geslagen dat ie niet meer kon kijken…Ik sloeg en sloeg en kon niet meer ophouden. En niemand die het snapt, dat is het ergste van alles.’
De verkoper sloeg rustig zijn pagina’s om en schonk zichzelf een glas cola in terwijl Benno mijn shawl vastgreep en wilde bewegingen met zijn vuist maakte. ‘Zo sloeg ik dan, als een bokser, als een echte bokser.’
Wanneer is de klus geklaard? vroeg ik me af. Wanneer heeft de parasiet genoeg gegeten?
‘Mijn mama is dood en mijn papa ook,’ zei hij. ‘En mijn zusje, die heeft jaren in een tent gewoond, omdat ze niet kon ademen. Niemand die het snapt, helemaal niemand in deze kloterige wereld,’ zei hij terwijl de verkoper begon te zuchten. ‘En jij, snap jij het?’ vroeg de clown aan de verkoper en maakte boksbewegingen in de lucht.
‘Je bent gewoon verdrietig, dat is het,’ zei de man kalm.
Ik bleef in de hoek staan, tussen een kunstvagina en een massagestaaf terwijl Benno de winkel uitliep, met zijn gebalde vuisten zijn ogen bedekkend.
‘Verdomme!’ riep hij en in een glimp zag ik zijn tranen, die ik misschien niet gezien mocht hebben.
Toen verdween hij in een steeg.
De volgende dag deed ik een bijzondere ontdekking op het plein; wielsporen en een grote cirkel in het zand, alsof er een ufo geland was en weer opgestegen. Verder niets of niemand.

63137Foto: © Nora P. van den Berg

Het lijkt tegenwoordig bijna traditie te worden om je boek zeg al een jaar van te voren aan te kondigen. Sommige schrijvers hebben ergens op hun website een kleine bekendmaking of laten het per ongeluk eens vallen in een schrijfsel.
Het meest opmerkelijke is nog wel dat die boeken vaak nog geschreven moeten worden. Er zijn er bij die je bijna per alinea op de hoogte blijven houden. Tijdens het schrijfproces sturen ze mededelingen de wereld in als: ‘Ik ben versie drieëntwintig aan het bewerken.’ of vragen ronduit wat lezers van een bepaalde passage vinden. Er volgen dat discussies en soms schrijft de web-logger/schrijver: ‘Dank, daar heb ik iets aan.’
De schrijver maakt in de maanden voorafgaand aan de publicatie, de lezer medeplichtig aan het eindproduct.
Zou de mening van de lezers die reactie geven doorslaggevend zijn? Ik ben bang van wel.
Ikzelf heb nog niet inhoudelijk geschreven over mijn debuut roman, en dat heb ik expres niet gedaan, omdat ik vind dat het (nog) niemand aangaat en ook omdat het geen verassing meer is als het boek uitkomt.
Wat zou een uitgever of redacteur ervan vinden als de schrijver zeer gedetailleerd verslag doet van de regels die geschrapt worden, de flaptekst die maar niet voldoet aan de wensen van de schrijver? Of als de schrijver ronduit schrijft: ‘Ik heb nog maar 2 weken, dan moet het af zijn! Ik word gek!’ om vervolgens opgelucht verslag te doen dat hij of zij nog een paar weken extra heeft.
Ik kan me voorstellen dat de lezer er na al die uitleg en tal van te voren gepubliceerde alinea’s geen zin meer in heeft, of schrikt als deze na het lezen van het boek eens een kijkje neemt op de blog van de schrijver.
Ik zal mijn best doen u zo min mogelijk medeplichtig te maken, u moet dan wel beloven mijn boek te kopen.

Vroeger was een boek er. Plots. Dat was juist het leuke.

Illusies op de millimeter of het gevaar van een clown (2)

Voor deel 1, klik

Toen ik die ochtend de vier torens van de opblaas-tent achter de bomen op het sportveld zag oprijzen had ik kunnen denken: ‘The circus is in town!’ maar ik dacht alleen maar aan de mogelijkheid de tent met een scherp mes lek te steken.
Buiten de hekken telde ik een stuk of tien televisieschotels in het gras. De kabels liepen naar de vervallen campers en loodsen op wielen. Er liepen werklui te sjouwen met dozen vol kabels en onduidelijke elektronica. Ook zag ik een lilliputter een sigaret roken.
`s avonds maakte ik een wandeling met de hond. Onder mijn jas hield ik een in een theedoek gewikkeld keukenmes. De hond snuffelde aan de lege bier blikjes die Benno om zich heen had liggen in het gras. Hij lag op een plastic ligstoel. Hij was alleen.
‘Zo zo,’ zei hij.
‘Zo zo,’ zei ik, glimlachte en liep door.
‘Ik had een kut humeur man, dat wil je niet weten!’ zei hij opeens, ‘het spijt me.’
In het licht van de lantarenpaal zag ik een korte broek en een wit hemdje met gele strepen, in zijn nek zaten nog vegen witte schmink.
‘Geeft niet, ik snap het wel,’ zei ik.
‘Biertje?’ vroeg hij en zwaaide met een blikje.
Ik drink nooit bier, ik ben waarschijnlijk de enige man ter wereld die niet van bier houdt, in ieder geval zeggen veel mensen dat. Voor Benno wilde ik graag een uitzondering maken.
Ik knikte en hij schoof een roestige klapstoel naar voren. ‘Ik heb er niets te bikken bij, maar dat hoeft ook eigenlijk niet, bier vult heel goed.’
‘Bier is heel voedzaam,’ zei ik en gluurde naar de campers op het plein. Ik vroeg me af welke van hem zou zijn.
We dronken in stilte, ik bedacht allerlei dingen die ik zou kunnen vragen, maar alles wat bij me opkwam was te cynisch of gewoon ronduit onaardig, dus vroeg ik -nadat hij een aantal harde boeren had gelaten: ‘Ben je veel onderweg?’
‘Driehonderdvijfenzestig dagen per jaar. Het godganse jaar dus. Maar hier in Amsterdam kom ik niet zo vaak,’ zei hij, ‘maar het is wel een leuke stad, het heeft wel iets. Maar meestal kom ik niet van het terrein,’ hij wees naar achteren, naar de tent die er in het donker nog angstaanjagender uitzag.
‘Je zou de stad in kunnen gaan,’ zei ik. (Ik wilde erachter aan zeggen: ‘Dan kun je lekker gaan “clownen” op de Dam’ , maar liet het.)
Hij keek naar zijn blikje bier en probeerde een boer binnen te houden, hij speelde met wat takjes en leunde toen naar achteren. ‘Tja, zou kunnen,’ mompelde hij.
Ik denk altijd maar dat ik iedereen de meest prachtige dingen kan ontlokken, soms doe ik het ook alleen daarvoor; voor mooie zinnen, of absurditeiten, maar Benno was voornamelijk stil als hij niet aan het boeren was. ‘Ik heb veel lucht,’ zei hij steeds.
‘En dan nog, als ik het centrum in zou gaan, waar moet ik dan naartoe?’ vroeg hij.
‘Er is zoveel te doen,’ zei ik.
‘Ja wat dan?’
‘Gewoon, het centrum,’ zei ik omdat ik ook opeens niet meer wist wat je in het centrum moest.
‘Ik zou wel naar de hoertjes willen, dat heb ik nog nooit gedaan in Amsterdam.’
Daar was het, dacht ik, nu ging het goed komen, dat kon haast niet anders.
‘Dat zou ik zeker doen, kun je niet gemist hebben!’ zei ik wat harder.
‘Nee?’ hij trok een nieuw blik open en tuurde naar het gras, ‘ik vergelijk ons leven wel eens met dat van een zeeman. In mijn geval dan, omdat ik geen vrouw heb, altijd maar alleen en altijd maar op reis. Godverdomme!’
‘Daarom,’ zei ik, ‘juist daarom.’
Ik stond op en zei dat ik naar huis ging, dat de hond wilde slapen.
Hij zei: ‘Breng je me er morgenavond naartoe?’
‘Naar de rosse buurt?’
Hij grijsde en knikte langzaam en hoopvol. ‘Ja, ik ken hier toch niemand man!’ riep hij en stond op, hij wankelde. Toen hij dicht bij me stond rook ik de zure lucht van bier en oprispingen, ‘drinken we samen op mijn kosten een paar biertjes in het centrum,’ zei hij, ‘alsjeblieft!’
Ik zei: ‘Maar dan doe je wel iets normaals aan, in een korte broek laten ze je niet binnen.’
‘Maak je geen zorgen, en ik was me heel goed.’
Dat vond ik een dubieuze opmerking maar ik knikte alleen maar en zei: ‘Oké dan.’
Als ik niet als mens zou zijn geboren dan was ik vast een worm geweest, eentje die zich moeiteloos een ingang in het lichaam zou vinden en daar als een bezetene zou gaan vreten, alles wat binnen handbereik ligt zou ik gebruiken om mijn maag te vullen.
Toen ik wegliep riep hij: ‘Hoe heet je?!’
‘Frans!’ riep ik terug.
‘Tot morgen Frans!’ riep hij en schopte tegen een blikje dat een paar meter voor mijn voeten terecht kwam. ‘Laat me niet zitten Frans!’ riep hij me nog na.
Ik riep: ‘Voor geen goud Benno!’
Ik voelde onder mijn jas de theedoek met het mes en dacht aan de worm, hoe die na enige tijd het lichaam weer verlaat, als zijn buikje rond is.

Volgende week deel 3.

dsc00579Gisteren sprak ik een clown aan.
Hij was bezig de boom voor mijn huis in te pakken met posters waar hijzelf op stond, met rooie wangen en een panische blik in zijn ogen.
‘Bent u dat op de posters?’ vroeg ik.
‘Ja ja, dat ben ik,’ mompelde hij.
‘Hoe heet je?’ vroeg ik.
‘Benno,’ zei hij en trok een tie-wrap strak.
‘Benno, zou je je rommel ergens anders op kunnen hangen? Ik kijk uit op deze boom en wil niet elke ochtend met je gezicht geconfronteerd worden.’
Hij gaf geen kik en ging door. Ik had verwacht dat hij wat vrolijker zou zijn, misschien gekke dansjes zou maken, of dat er een ballon uit zijn borstzakje getoverd zou worden, maar helaas, Benno zei: ‘Ach man, laat me met rust, ik heb een kuthumeur!’
Nu heb ik clowns altijd gevaarlijke mensen gevonden. Naar mijn idee balanceert een clown op een gevaarlijk randje, voor je het weet verandert de piste in een bloedbad. Ik weet heel goed dat het vooral mijn fantasie is, maar toch.
Ik rookte een sigaret en keek naar zijn schoenen. Het waren gewone schoenen, niet echt de schoenen van een clown.
‘Denk je dat ik het leuk vind?,’ begon hij opeens, ‘ik kijk ook niet graag naar mijn kop, echt niet, maar het is mijn werk. Vroeger was ik schilder, toen keek ik graag naar mijn werk, nu niet meer.’
‘Ben je ongelukkig?’ vroeg ik.
‘Als ik thuis ben en mijn gezicht was, mijn kleren uittrek en in bed lig, dan niet.’
Ik ben nog nooit naar een circus gegaan, sommige mensen zeggen dat dat een groot gemis is, maar ik zie het nog altijd als een verstandige keuze.
Ik liep met hem mee naar de volgende boom en vroeg wanneer het circus zijn ‘deuren’ zou openen. ‘Over een paar dagen al,’ mompelde hij.
‘En dan wordt het zeker een groot feest, niet?’
‘Geen idee, dat maakt me ook geen moer uit, als ik maar rustig kan schijten en genoeg te eten krijg,’ zei hij, ‘meestal eten we elke dag nasi, en ik hou niet van nasi.’
‘Weet je Benno, ik heb een idee. Als je die poster bij mijn boom nou eens om zou draaien, naar de andere kant van de straat gericht, dan heb ik er geen last van.’
‘Geen denken aan,’ zei hij en liep naar de volgende boom, ‘weet je wat het probleem is? Mensen denken altijd maar dat wij grappig zijn, dat wij nooit een kuthumeur hebben en dat het bij ons thuis ook een groot circus is, maar dat is helemaal niet zo!’
Ik wilde hem zeggen dat ik dat nog nooit gedacht had, dat ik niet veel anders dacht dan dat een clown een ontspoorde idioot is, of een pederast, of een combinatie van die twee, maar ik zei: ‘Dat meen je niet! Laat ik dat nou altijd gedacht hebben!’
‘Zie je wel! Wij zijn óók mensen en dat vergeet men wel eens. We adverteren met “illusies op de millimeter” maar weet je, elke millimeter is ook echt illusie bij ons. Ik ben dat niet!’ schreeuwde hij en sloeg een paar keer tegen zijn afbeelding.

Nu hangt de poster er nog. Ik heb al vanaf vanochtend zin om hem met een dikke zwarte stift te bekladden met de meest vreselijke teksten, maar ik durf niet.