Ik schreef hier, hier, hier en hier over project HIER. Samen met Jan Aelberts, Maartje Wortel, Marco Jonas Jahn, Matthias Reuter en Martin Huyn schreef ik stadverhalen (Stadtgeschichten) die 22 januari in Arnhem werden gepresenteerd in boekvorm. Mijn verhaal ‘Mijn vader was koning van de stad’ is in deze uitgave van de Wintertuin zowel in het Nederlands als in het Duits te lezen.

Voor het fiction issue van Vice Magazine schreef ik een verhaal met de titel: ‘De Kiosk’.
Het verhaal is hier te lezen, maar ik raad u aan dit gratis tijdschrift zo snel mogelijk te vinden want het komt samen met een T-shirt waarop staat: ‘Be stupid – for successful living‘. Binnenin staat ook nog eens: ‘One size fits all. If it is too big for you, eat more. If it is too small, diet. If it fits you, congratulations’ Een korte samenvatting van het hele leven dus.

Ik zag handelsreizigers voorbij sjokken, ze voerden gesprekken in vreemde talen. Op nog geen meter afstand werd een piano in doeken gewikkeld en naar buiten geduwd. Vele kamermeisjes zag ik, een assistent manager die een hele tijd met zijn handen op zijn rug bedenkelijk door de ruimte keek; allemaal zagen ze me niet zitten in een van de gestreepte stoelen in de foyer van Hotel de L’ Europe. Alleen was er een schoonmaker die stofzuigde rond mijn voeten. Hij zei: ‘Nee meneer, blijft u zitten, zo klaar,’ toen ik wilde gaan staan.
  Het hotel bezocht ik de afgelopen weken zeer regelmatig. Eerst om uren ongestoord chocolademelk te drinken en te praten en later gebruikte ik de foyer voor interviews. Nooit veranderde er daar iets: altijd waren er dezelfde bonbons bij de koffie, de enorme amandelkrullen die niemand van mijn gezelschap durfde aan te raken tot het moment dat ik liet zien hoe je ze eerst op het bordje breekt en dan in delen in je mond stopt. Ja ik ben op dat gebied vaak een soort gids voor mijn gezelschap.
  Nu wachtte ik op een fotografe die een portret van mij zou maken in een van de nieuwe, net verbouwde conferentiezalen. De manager hoorde ik tegen een man met een boormachine zeggen: ‘Hier gaat een muur weg en hier komt een deur.’ Hij stond midden in de foyer en de man met de boormachine klopte tegen een wandje.
  Als ik een fijne plek vind om urenlang ongestoord te praten, om er tot diep in de nacht te blijven zitten zonder dat iemand daar erg in heeft, zal deze plek verdwijnen, dat weet ik inmiddels. Een beetje zoals met geluk, zodra je weet dat je gelukkig bent, is het al weg aan het gaan.
  De fotografe maakte de foto’s in een zaal die helemaal groen was. Het tapijt, de muren, zelfs het licht was groen. Ik stond op haar verzoek in de hoek en liet mijn hoofd nonchalant tegen de muur rusten die bekleed was met gevoerde panelen van leer, een beetje zoals ik me voorstel hoe ze in een isolatiecel in een gesticht zouden moeten zijn; zacht, om klappen op te vangen.
  Later zaten we koffie te drinken in de foyer die binnenkort iets anders zou worden. Het portret dat genomen was ging over vluchten en vertrek en dat was grappig want ik dacht aan mijn eerder genomen besluit daar altijd terug te keren en dat dat nu onverwezenlijkbaar was geworden. Daar was het ook dat de fotografe opeens zei dat ze nooit in Nederland zou willen sterven, voor het sterven zou ze naar Frankrijk gaan.

Ik heb nooit van kerst gehouden en omdat ik ook nog eens op eerste kerstdag ben geboren (met het jaarlijks terugkerende ‘Ah, een kerstkindje, wat leuk!’ van mensen die ik dat jaar heb leren kennen) hou ik ook niet van mijn verjaardag.
  Omstreeks een jaar geleden schreef ik dit en er is dit jaar veel veranderd, maar het schreeuwen op de Dam is een traditie gebleven die ik graag nog vele jaren in stand wil houden. Ik ben van mening dat kerst de beste tijd van het jaar is om de longen uit je lijf te schreeuwen.
  Ik reed samen met mijn broertje door het centrum, opzoek naar een bar of restaurant die aan aan verschillende eisen moest voldoen: Er mocht geen kerstsfeer heersen (geen kerstbomen, kerstballen, siertakken), het moest niet te sjiek zijn, maar ook zeker geen bruine kroeg. Het moest er rustig zijn, maar niet té rustig (niet dat we de enige zouden zijn). Geen storende muziek. Geen lange wachttijden en het liefste een werkende en een echte open haard (geen sierhaard op gas). ‘We vragen niet veel,’ zei mijn broertje.
  Vorig jaar was het ons niet gelukt een plek te vinden, en ook dit jaar lukte het niet. We stonden op de Dam en keken naar de zwarte sneeuw. Er was geen mens op straat op de taxichauffeurs na, maar die stonden er altijd.
  ‘Misschien kun je me iets beloven,’ zei hij.
  ‘Wat dan?’
  ‘Dat ik komend jaar minder in je verhalen voorkom. En als ik ergens in voorkom, dat ik betaald word.’
  Dat deed me denken aan de wens van mijn moeder, die juist meer in meer verhalen voor wenste te komen en daar zelfs voor wilde betalen. Zei zei: ‘ik heb ook rechten David, of het nu positieve of negatieve dingen zijn, dat maakt me niet uit, als ik maar ergens voorkom!’
  Ik heb een gekke familie, neem dat van mij aan.
  ‘Ik beloof het,’ zei ik, maar daar was geen woord van waar, en dat wist mijn broertje, want mijn broertje kent mij vrij goed.
  ‘Iets minder dan. Of betere uitspraken. Ik zeg soms geniale dingen die je dan niet opschrijft.’
  Toen begonnen we te schreeuwen. Eerst waren er scheldwoorden die door het vervormen van onze stemmen leken op een andere taal, en later vogels die haarfijn geïmiteerd werden. Natuurlijk hoorde niemand ons, zoals altijd.

Verschillende mensen vertelden mij dat het niet chic is om recensies te plaatsen op je eigen website, dat moet je vooral aan anderen overlaten, zeiden ze. Maar een paar dagen geleden werd de eerste recensie van Levi Andreas gepubliceerd in zowel het Noordhollands dagblad als het Dagblad van het noorden en die wil ik u – omdat het de eerste is – niet onthouden.

Bijzondere debuutroman over moderne Odyssee

‘Het telt 376 bladzijden en daarvan is niet een teveel. Met zijn debuutroman Levi Andreas zet de Amsterdammer David Pefko (1983) zich in een klap op de kaart als een buitengewoon talentvol schrijver. In deze moderne Odyssee verhaalt hij over een zoektocht door het leven van twee mensen. Ze kennen elkaar slechts van brieven. Enerzijds is er Rosa. Toen ze twintig was nog een gewone studente, maar nadat haar moeder een eind aan haar leven had gemaakt door een fles gootsteenontstopper leeg te drinken, verandert alles. Haar vader zakt weg in een verlammende lethargie, haar broer vertrekt naar New York en Rosa stopt met haar studie en gaat als overhemdenstrijkster in een stomerij werken. ‘Ik wilde rust (…) Alles moest stil worden in mijn hoofd.’
Op een dag vindt Rosa en een van de overhemden een klein briefje, een losse notitie die haar intrigeert. Ze stopt een eigen briefje in het overhemd en krijgt na verloop van tijd antwoord. De afzender is ene Levi, een man die oppervlakkig gezien in alles het tegendeel is van Rosa. Een charmante oplichter die zijn leven lang al het ene financiële gat met het andere dicht en alles aan elkaar liegt. ‘De leugen is veel prettiger en aanvaardbaarder. Op de leugen heb je grip en op de waarheid maar nauwelijks.’
Tussen Levi en Rosa ontstaat een soort briefwisseling. Als Rosa door bizarre gebeurtenissen in de stomerij de beschikking krijgt over een aardig kapitaal, besluit zij op zoek te gaan naar Levi. Zij volgt hem naar Brussel en vandaar naar Amerika en Argentinië. Ze haalt hem niet in, maar vindt wel zichzelf terug.
Pefko sleept de lezer mee in zijn verhaal. Hij is een geboren verteller die zelfs de kleinste details zichtbaar weet te maken. Laagje voor laagje pelt hij zijn personages af, tot op het bot. Denk je aanvankelijk nog dat die Levi Andreas een cynische klootzak is, geleidelijk ontdek je de tragiek achter zijn kille buitenkant.
Lijkt het verhaal eerst nog, met de wonderlijke gebeurtenissen in de stomerij, de tragikomische kant op te gaan, geleidelijk sluipt er meer en meer ernst in. In terloopse bijzinnetjes, zonder grote woorden, bijna onderkoeld, brengt hij het drama van Rosa’s leven onder woorden.
Als er gerechtigheid bestaat moet dit boek komende tijd minstens een van de vele literaire prijzen winnen.’
Sonja de Jong

Vanaf begin januari zullen er 25 unieke boekjes verschijnen. Elk één van de 25 verhalen uit Levi Andreas bevattend, en stuk voor stuk met de hand geschreven. Tegen die tijd, als ik uitgeschreven ben, zijn ze hier en via de website van Van Oorschot te bestellen. Maar let op: op is op!

Gisteren vond de presentatie van Levi Andreas plaats, in Stomerij Clean Center in de Amsterdamse Ferdinand Bolstraat. De eigenaren van de stomerij waren verbaasd slechts één blouse in ontvangst te mogen nemen, vooral omdat het verzoek in de uitnodiging toch zeer duidelijk was: ‘Neem uw vuile was mee’.
Ik bedank alle medewerkers van Stomerij Clean Center en de gasten voor hun aanwezigheid en het eten van grote hoeveelheden macarons.


Voor Tirade schreef ik een maand lang brieven. Zo begon het met een brief aan een postbode, daarna aan Ton van Riemsdijk die vele honderden brieven aan Gerard Reve schreef maar nooit antwoord kreeg. Aan een fietsenmaker, een brief op de verjaardag van Jan Aelberts, een korte briefwisseling tussen Rosa en Levi, aan de oprichtster van briefopbestelling, Ans van de Van Baerlestraat, aan Z, een kaart aan X, een tweede brief aan Jan Aelberts, een aan de toiletjuffrouw in de Hema, een drankzuchtige man in de straat, een tweede brief aan de zakenvrouw van het jaar 2008, een aan Bernard Madoff, aan de mysterieuze ‘L’, een gerechtsdeurwaarder, bloemenman, de abonnees van de Dieren-weekkrant, aan Dolores, Herman Brusselmans, aan een man die tegen zijn pan schreeuwt, Tiny Haeck, de vrouw van Louis Nanet, aan de mislukte dichter, de familie Heijenberg, de sigaret, Johannes en uiteindelijk aan X.

hollandsmaandblad743In het Hollands Maandblad van oktober (nummer 743) staat een voorpublicatie uit Levi Andreas: het kortverhaal ‘One Happy Island’. Op de website van Hollands Maandblad is een kleine voorproef van het verhaal te lezen.

Tirade430

In het laatste nummer van Tirade (nummer 430) is de voorpublicatie van een brief te lezen uit mijn debuutroman Levi Andreas. Dit nummer van Tirade staat in het teken van de brief. Ook hou ik vanaf maandag 19 oktober tot donderdag 19 november een ‘brief-blog’ bij op de website van Tirade. Elke dag een brief, speciaal voor u natuurlijk.

‘Lieve ouders, “Dear Parents”, Niet schrikken, jullie zoon Marcus leeft nog,’ schrijft Kester Freriks. In dit nummer veel brieven en stukken over correspondentie. David Pefko: ‘Lief 22-jarig meisje, Ik ga je niet vertellen waar ik ben, want anders sta je morgenvroeg op mijn stoep of trek je de rits van mijn tent open, of kom je het casino binnenlopen terwijl ik aan de roulettetafel zit te verliezen, of erger, je loopt de kerk binnen waar ik trouw met een meisje dat ik net drie dagen ken.’ Jan Aelberts: ‘A, Ik weet dat het geen zin heeft je te schrijven. Als je een tafel hebt, zal deze brief die hooguit waterpas plaatsen’ en Herman Pieter de Boer: ‘Geachte Bestuursleden, Ik richt mij tot u met een wellicht ongebruikelijk verzoek, ik ben enigszins beschroomd maar toch ook vastbesloten om me te uiten.’ Verder een essay van Jan Fontijn over de epistolaire liefde tussen Stendhal en zijn zuster Pauline. Op 19 september 1809 schreef Stendhal haar: ‘Zelfs wanneer ik zou trouwen, zou ik je altijd meer beminnen dan mijn vrouw.’ Ulli Jessurun d’Oliveira haalt herinneringen op aan de begintijd van Tirade. Hij kwam in de redactie dankzij Gerard Reve, die hem in 1959 uitnodigde een stuk te schrijven: ‘Knappe maar ook Aardige jongen, We hadden het er gisteren juist over, hoe voortreffelijk het zou zijn als je Lucebert eens interviewde.’ Ester Naomi Perquin schreef vijf briefjes om aan te treffen of achter te laten op een nachtkastje, een tegel, een bank, een lichaam en in een fles. Volgens Bart Slijper bestaan de mooiste literaire brieven uit maar een paar regels en Willem Wittkampf toont zich in zijn brieven een uitstekende en opgewekte huisbewaarder. Hanny Michaelis leert ons dat brieven over klemmende straatdeuren, lekkende kramen, stinkende badkamers en zwammenkweken in wc’s fascinerend zijn om te lezen. Poëzie van Kreek Daey Ouwens en Anne Vegter en een verhaal van Franske de postbode, opgetekend door Pepijn Lievens.

Verhalen van Thijs de Boer en Michel Ramaker en poëzie van Paul Bogaert, Robert Anker, Kira Wuck en René Huigen.

TIRADE.NU

klik op de link voor de blog

beethovenstraat foto: © Nora P. van den Berg

Ik rookten samen met mijn broertje sigaren op een bankje aan de Minervalaan. We waren er van overtuigd dat alle grote criminelen sigaren rookte. Ook waren we tot de conclusie gekomen dat we ons aan moesten sluiten bij de maffia. De Maffia komt niet zomaar naar je toe dus moesten ze ons kunnen herkennen.
De voorbijgangers keken ons verbijsterd aan, soms zelfs met een afkeurende blik. We hadden de allergrootste sigaren gekocht die er te vinden waren.
‘Ze zien het,’ fluisterde mijn broertje die breeduit op het bankje was gaan zitten, met zijn gezicht in de zon, zijn benen ver uit elkaar, zijn sigaar in zijn mond. We zaten vaak op dat bankje, net zoals we vaak in lunchrooms zaten of in de grillroom van Ali. Mensen wisten dat ze te maken hadden met mensen die niet zomaar daar zaten. Ze konden volgens mijn broertje zien dat we grote plannen aan het maken waren, misschien zelfs plannen die uiteindelijk de hele wereld zouden veranderen.
Hij leed aan een lichte vorm van grootheidswaanzin, toen al. Zijn vorm was erg positief. Hij had een optimistische kijk op alles en iedereen.
‘Die moeder van ons, die moet nodig geholpen worden,’ zei hij opeens.
Onze moeder had last van angsten die niet alleen haar hele leven begonnen te beheersen maar ook de sfeer bij ons thuis. Ze kwam haar bed niet meer uit en las boeken die ze al honderd keer gelezen had. ‘Als ik niet hoef na te denken over mijn eigen leven dan geeft dat al een hoop lucht,’ zei ze daarover. Door haar toestand had ik constant het idee dat we met z’n drieën in een kleine oorlog verkeerden en dat de buitenwereld de grote vijand was geworden. Het was vooral gaande in mijn moeders hoofd, al stuurde ze langzaam haar strijdtroepen richting het onze.
Toen de sigaren op waren, besloten we maar snel naar huis te fietsen. We waren al een flinke tijd weg en ik zou koken die avond.
Ik bakte de biefstukjes en we speelde monopoly aan het bed van mijn moeder. Zij was de bank en mijn broertje won uiteindelijk. Hij won altijd, hoe vals ik ook speelde.
‘Ga je nog iets lekkers halen?’ vroeg mijn moeder.
‘Wat wil je hebben dan?’
‘Cake en iets zouts voor daarna.’
Samen fietsten we naar de avondwinkel in de Beethovenstraat. Het was naar ons idee de beste plek ter wereld. Voor mijn moeder gold hetzelfde. Hoewel ze er zelf zelden kwam werd ze gelukkig als ze aan hun Engelse cake met roze glazuur dacht.
‘We hadden eigenlijk onze pakken aan moeten doen,’ zei mijn broertje op de fiets. Op het Waterlooplein hadden we allebei een pak gekocht waarin we geloofwaardiger criminelen zouden zijn volgens hem.
‘Wil je terug?’ vroeg ik. We waren al bijna op de Apollolaan.
‘Nee, volgende keer, we gaan nu gewoon zo,’ zei hij terwijl hij zich door een rij auto’s voor het stoplicht wrong. Hij schold bestuurders uit maar ze hoorden hem niet.
Toen we de brug over waren zag ik langzaam de Beethovenstraat oprijzen. Ik zag de bank op de hoek, de tapijthandel en het uithangbord van de Italiaan waarvan wij vonden dat ze de beste pizza’s van de stad bakten. In de wildernis van de stad was deze straat ons domein. De Beethovenstraat behoorde in onze ogen tot een soort bedevaartsoord; hier waren de winkels waar we boodschappen deden nu mijn moeder haar bed niet meer uit wilde komen. De portieken om te schuilen voor regen en ander slecht weer waren alleen hier zo ruim dat je er met z’n tweeën in kon staan. Hier was de groenteman die zijn groente en fruit ‘mijn kinderen’ noemde, hier waren rond kerst de groene en rode lichtjes waar we toen we heel jong waren samen met mijn grootmoeder naar gingen kijken. In deze straat had een groot deel van onze jeugd zich afgespeeld. Het deel dat we min of meer zelf hadden gecreëerd; want de straat lag een flink eind van ons huis.
Voor de avondwinkel stond de zwerver die daar altijd stond. Hij had een gelige baard, rookte een pijp en dronk flesjes bier die hij bij de avondwinkel kocht. Op warme zomeravonden rook de hele straat naar zijn zoete tabak. Wij dachten dat hij Richard heette maar andere mensen noemden hem Koos en weer anderen Pietertje.
‘Ik woon wel en niet op straat,’ antwoordde hij toen ik hem vroeg of hij een zwerver was of een verwarde bewoner van de Beethovenbuurt.
‘Dus u kiest ervoor soms een dagje op straat te slapen, en de volgende dag slaapt u gewoon lekker thuis?’ vroeg mijn broertje terwijl ik mijn lach in probeerde te houden.
We hadden deze vragen al zo vaak gesteld. Het was een traditie geworden als we naar de avondwinkel gingen. Richard scheen het niet in de gaten te hebben.
Hij knikte en begon een lang verhaal over het terrasje voor de avondwinkel. Hij had het gesticht. Het was volgens hem een onmisbare plek in de stad geworden. Hij had dit verhaal al vaker verteld, maar we luisterden naar hem alsof het de eerste keer was, want als je op effect uit bent moet je zo goed mogelijk meespelen.
‘Waar zijn jullie ouders toch?’ riep Richard. (iets wat hij ook bijna elke avond vroeg).
‘Die zijn ver weg, heel ver weg,’ zei ik zuchtend.
‘Eigenlijk zijn we wezen,’ riep mijn broertje.
Richard keek naar de grond en ik dacht een moment dat hij huilde, om ons, de wezen. Maar hij bleek te zingen. Zachtjes zong hij een lied dat we niet kenden.
‘Die jongens zijn wezen!’ riep hij de avondwinkel binnen.
‘Ja Richard, wezen zijn ze, en ze willen onze Engelse cake maar die is op!’ schreeuwde de verkoper terug.
‘Hoe triest, ze zijn wezen en nu is de cake op,’ mompelde hij en begon een nieuw lied: ‘De cake is op, de cake is op, opperdepop.’
We kochten spekkoek en een reep Cote do’r, die met de papieren wikkel, waar twee afzonderlijk verpakte repen in zitten.
‘We moeten volgende keer bellen voor die cake,’ zei ik.
‘Ze moeten het gewoon op voorraad houden voor mama,’ zei mijn broertje.

‘Jezus,’ zei mijn moeder toen ze de spekkoek zag.
Ik vertelde dat hij op was.
Ze had eerst een ontroostbare blik in haar ogen maar glimlachte bij het zien van de reep chocolade.
Geluk is in het geheel niet moeilijk te verkrijgen als het in snoepgoed is gaan zitten.