‘For research,’ was steeds mijn antwoord als iemand vroeg wat ik in Leicester deed. Niet alleen taxichauffeurs, maar ook mensen bij banken, in fotowinkels, het hotel waar we verbleven, overal leek men verbaasd, en dat is achteraf gezien niet verwonderlijk, want waarom in godsnaam ga je naar Leicester, Engeland?
    Samen met mijn vriendin vertrok ik per trein, via Brussel waar we garnalenkroketten en bonbons aten. Mijn vriendin zei dat ze van plan was zelf bonbons uit te gaan vinden omdat dat volgens haar het makkelijkste ter wereld was. Op weg naar het station bedacht ze er honderden. De beste waren volgens haarzelf de bonbon met knoflook, een met een vulling van mozzarella en een bonbon met een salamiworstje erin. Maar de allerbeste, zei ze met een grote glimlach, was een bonbon met een bonbon erin en daarom weet ik zeker dat er geen beminnelijker persoon op deze wereld rondloopt dan zij.
    Bij de paspoort controle van de trein door de tunnel naar Engeland, die volgens de folder niet door het water, maar door het slip van de bodem van het kanaal liep, zagen we een dansschoen op het bureau van de bagage controle staan. Het was een totaal versleten roze ballerina met enkelbandjes. Later in de trein werd er omgeroepen dat iemand zijn schoen was verloren en dat die af te halen was bij de treinmanager.
    Ik wilde naar de plek waar het romanpersonage uit mijn nieuwe boek woont. Om te zien waar hij werkt, eet en drinkt, hoe het er ruikt, wie zijn buren zijn. Waar hij zijn Leicester Mercury koopt en dan niet alleen van horen zeggen of met hulp van Wikipedia, maar alles met eigen ogen zien.
    In het Hilton hotel kregen we een kamer voor gehandicapten. De eerste avond sliepen we in een bed omgeven door rode koorden waarover een kruier zei dat als we daar aan zouden trekken, hij binnen enkele ogenblikken in de kamer zou staan. De wc deur kon niet op slot, dat leidde tot lange tochten naar de openbare wc’s in de lobby.
    Toen we de volgende dag een normale hotelkamer kregen (Did you get the disabled room? Oh that’s sad…) en de stad gingen verkennen, begonnen we beiden steeds neerslachtiger te worden. De buitenwijk waar het hotel lag deed me denken aan de buitenwijken van Athene; grote snelwegen met enorme shoppingmalls aan de rand van de weg. Autodealers, sanitair mega-stores, meubelboulevards, wedkantoren en absurd grote bankfilialen waar ze op de puien adverteerde met levensverzekeringen. We liepen de grootste supermarkt in die ik ooit in mij leven zag. Op de afdeling watersport keken we naar de surfplanken en surfpakken en zei mijn vriendin dat er hier toch geen water in de buurt was. Ik hoorde haar niet, want ik keek naar een stapel Creusetpannen die negentig pond per stuk waren. ‘Er is hier toch geen water in de buurt! Negeer je me ofzo?’ vroeg ze nogmaals. ‘Er is hier toch geen water in de buurt?!’ schreeuwde ze door de onmetelijke ruimte. Nergens dus, nergens was water te vinden maar toch verkochten ze surfplanken, wetsuits en verschillende soorten strandhanddoeken. De toon was gezet, want al snel bleek dat Leicester vooral ging om wat er juist níet te vinden was.
    Het enige wat je gelukkig kan houden in Leicester bleek een lekkere maaltijd te zijn. We bezochten Indiase restaurants, Sushi-barren, homemade hamburger restaurants waar het rundvlees traceerbaar was, een kleine Italiaan waar ze moeilijk deden over mijn Parmezaanse kaas obsessie, –Ik schijn mijn pasta met belachelijk veel kaas te eten– en het ontbijt in ons hotel, dat bestond uit smakeloze roereieren op zompig brood en bacon en worstjes die we moesten laten staan.
    Op het dak van een verlaten slachthuis fotografeerde mijn vriendin waar het allemaal om draaide; The Montfort house, een vijftien verdiepingen tellend flatgebouw midden in de stad. Grauw en deprimerend van buiten, van binnen een plek om zelfmoord te plegen. Lage plafonds en piepkleine raampjes die uitzicht boden op de hele stad. Het zijn prachtige foto’s geworden, dat verzeker ik u.
    Elke dag in de stad leek een aanslag op mijn gezondheid. Nooit eerder was ik zo moe, zo humeurig en zo verschrikkelijk gehecht aan thuis als daar. De bewoners waren bijzonder vriendelijk rond de middaguren, maar in de avond sloeg alles om in een onbekende en niet te plaatsen agressie, een bijna voelbare slechtheid van de stad en zijn inwoners. Er was niets meer te doen dan eten en drinken, er was één bioscoop te ontdekken waar ze films van een jaar geleden speelde en het ene museum was nog treuriger dan het andere. Op een avond werden we na het fotograferen achtervolgd door een man waarvan wij zeker wisten dat het een drugsdealer was. We namen de raarste steegjes en elke keer dook hij weer op aan de overzijde van de straat. Uiteindelijk zijn hem kwijtgeraakt door een Chinees restaurant op Charles Street in te vluchten waar we noodgedwongen een van de smerigste maaltijden ooit aten.
    Het enige hoopvolle in Leicester is dat ze bij de drogist paracetamol-codeïne verkopen zonder recept.
    Mijn grootmoeder heeft er altijd een sport van gemaakt om alle mogelijke asbakken die voor haar neus stonden mee te nemen, toen ze stopte met roken liet ze de asbakken die ze tegenkwam staan. Ikzelf heb er altijd een sport van gemaakt werkelijk alles wat onbemand voor mijn neus staat mee te nemen, mijn vriendin is mogelijk nog erger maar daar kan ik niets over vertellen. Ik ben nu de gelukkige eigenaar van een aantal espresso kopjes in verschillende maten die ze voor mij heeft gestolen. Ikzelf stal een witte badjas waarin ik kan wonen en hele serie verzorgingsproducten van Dermatologica, en een zwembroek van Speedo waardoor we niet meer langs de ingang van het zwembad in het hotel konden lopen omdat daar een jongen achter de balie stond (die door mijn vriendin ‘poolboy’ werd genoemd) waartegen ik had gezegd dat ik later nog even zou komen afrekenen. De ochtend van vertrek verlieten we het hotel via de nooduitgang, over de parkeerplaats, in tegengestelde richting naar de lobby om poolboy te omzeilen, want niets is zo erg als in een goed dievenhuwelijk op het laatste moment gepakt worden.


Hier is een Griekse vertaling te vinden van het korte verhaal Schaduw voor Sirius, en hier mijn eerste interview in het Grieks. Veel plezier bij het vertalen.


Je was jarig die nacht. Het ijzelde en ik wilde je een kleine hijskraan laten zien op het Prinseneiland waar je nog nooit was geweest. Ik had me voor de gelegenheid zo zwaar geparfumeerd dat je me –al had je het gewild– nooit kwijt zou hebben kunnen raken in de kleine straten en stegen. Dat zwaar parfumeren doe ik alleen als ik heel erg bang of onzeker ben en dat wist je; ook mijn neurotisch gedrag tijdens het afkammen van het gebied, merkte je op. Je wist zelfs te zien aan de manier waarop ik mijn hand voor de helft van mijn gezicht hield, ja ook aan het fronsen van mijn voorhoofd, hoe ik me voelde. Het voelde alsof ik eindelijk betrapt was of dat we in een Woody Allen film waren beland.
  ‘Hij is ongeveer drie meter hoog,’ zei ik nerveus terwijl ik met mijn hand de hoogte van het hijskraantje aangaf. Die hand kwam ongeveer tot mijn nek.
  Het was nacht geworden en we spraken wanhopig mensen aan waarvan we het idee hadden dat ze hem ook kenden. Onder hen een man met een baard die elke kraan en zijn eigenaar op het Prinseneiland bij naam wist en ons zijn telefoonnummer achterliet. We namen ons voor dat deze man een goede vriend zou worden, dat we op een avond rond zijn allesbrander soep zouden eten en dat hij over alle hijskranen op het eiland zou vertellen.
  We hebben hem die avond niet gevonden en de man nooit gebeld.
  Later zaten we in een café en zei jij dat je nooit samen met mij zou kunnen zijn. Ik zei daar meteen op dat ik ook nooit met samen met jou zou kunnen zijn. Ik herinner me goed dat ik een verlammend verdriet voelde toen ik dat gezegd had, zo’n verdriet wat je voelt als je weet dat je iets heel belangrijks of fijns ontnomen gaat worden. Verdriet waartegen je je moeilijk kan verzetten. Ik dacht aan de dag voor oud en nieuw waarop je vertelde dat je in je eentje aan de Amstel zou gaan zitten rond middernacht en ik zei dat ik thuis zou blijven. ‘Er bestaat niets treurigers dan oudjaar en vuurwerk,’ zei ik tegen je over de telefoon.
  Op een kruising verbood je me je achterna te komen, je riep het me na. Je herhaalde de woorden heel nadrukkelijk: ‘Volg… me… niet!’
  Ik volgde je natuurlijk niet, maar opgeven was geen optie, dat is gebleken, want in een hotel dronken we elke dag koffie of chocolademelk. Omdat het koud was en het hotel afzichtelijk; omdat je voor tien euro meer kreeg dan waar dan ook.
  Ik zat dikwijls op mijn knieën met mijn hoofd in je schoot. Ik herinner me dat je kleren altijd roken alsof je ze net gestolen had. Nergens voelde ik me ooit veiliger dan als ik op die momenten mijn ogen even sloot.
  We besloten dat we niet in de liefde geloofden, ook hadden we eigenlijk geen vrienden en waren we het er over eens dat elk menselijk contact uiteindelijk zorgde voor ellende en verdriet.
  We waren even rijk en bleken even arm, maar dat maakte niets uit. Deze wereld heeft net zoveel mazen als je opmerkt en laat ik zeggen dat het opmerken van die mazen een overeenkomstige eigenschap is.
  Voor sommige mensen heeft het woord overleven een nare lading, voor mij klinkt het net als het woord thuis.
  Op een dag waren we acht uur aan de telefoon en hadden we er niets van gemerkt. Iets later overstroomde jouw huis omdat je al een week in het mijne was. Je droeg mijn truien en soms kreeg ik ze niet terug. We verplaatsten onze meubels en ik kreeg jouw kleed. Voor jou kocht ik een snoepkomkommerboom die enorm veel water nodig bleek te hebben. We besloten in de liefde te geloven.
  Aan de inhoud van de krat op je fiets kan zien wat we de voorgaande dagen hebben gedaan – echt, ik overdrijf nu niet, je fietskrat is een bewijs van alles wat we doen, zo ligt er nu aarde op de bodem van de planten die we ‘s nachts hebben gestolen. Gisteren zaten er resten filet Americain in. Ik probeer dat kratje een beetje schoon te houden, weet je dat?
  Vorige week gingen we met de pont naar de Tasmanstraat. We sleepten met een bureau dat je had gekocht in Amsterdam-Noord. Net als de hijskraan die we nooit hebben gevonden is die pont klein en ouderwets, er zijn stoeltjes en er is maar weinig ruimte. Bijna niemand neemt die pont. We namen ons voor vaker met die pont te gaan, heen en weer, zonder echte reden en zonder aan wal te gaan.
  Een paar dagen geleden droomde ik dat we weer opzoek waren naar de hijskraan. We bevonden ons op een totaal andere plaats in de stad, aan het Entrepotdok, en we vonden hem. Jij vond hem net zo mooi als ik.

Steven Mellors
App. 257
100 Oxford Street
Leicester
LE1 5XQ

Geachte heer Mellors,

Allereerst willen wij u hartelijk welkom heten als nieuwe bewoner van appartement 257 in het De Montfort house.
Al sinds 1976 werkt Glaxo Real Estate aan een scala van woonmogelijkheden voor de single-man. Het De Montfort house is hier het beste bewijs van: comfortabel wonen op een A-locatie tegen een zeer aantrekkelijke prijs.
Ons team van service medewerkers heeft uw appartement voorzien van een schitterend welkomstgeschenk dat uw intrek in het De Montfort house tot een waar festijn zal maken!
Mocht u nog vragen hebben kunt u contact opnemen middels het onderstaande telefoonnummer.
Wij van Glaxo Real Estate zeggen: Meneer Mellors, welkom in de wereld.

Met vriendelijke groet,

Glaxo Real Estate

Tel: 0116 239 0601

(Wilt u uw persoonsgegevens bij de hand houden? Wij werken met een sprekende computer.)


In het maartnummer van Hollands Maandblad is het verhaal ‘Zelf Vlaming worden’ te lezen. Koop het snel en lees hoe mijn droom om zelf Vlaming te worden aan diggelen werd geslagen.


‘Je viel weg.’
‘Ja sorry, de lijn is niet zo goed, wat vroeg je?’
‘Hoe het met Lambis* gaat.’
‘Nou hij heeft eergisteren zijn Jeep in de prak gereden en rijdt nu in die grote SS auto van zijn moeder.’
‘Zijn lieve moeder!’
‘Wat een nare vrouw is dat. Wacht even, ik haal mijn koffie uit de tuin. Blijf je even hangen?’
‘Ja ik wacht.’
(Stilte, gerommel, een piepende deur, gepraat tegen de hond, heel in de verte krekels – die ook denkbeeldig kunnen zijn)
‘Waar hadden we het over?’
‘Over Lambis en zijn moeder.’
‘Ah, ja, Lambis, die idioot. Hij bracht me een paar dagen geleden weer zakken vol eten…’
‘Waar we toen zo ziek van zijn geworden?’
‘Ja, die klootzak. Ik zei: “Lambis, ik denk dat ik het niet aanneem.” Weet je wat hij zei?’
‘Nou?’
‘“Have it your way man!” En dan te denken dat hij ons vorige winter eten bracht dat ver over datum was. Hij wist dat heel goed hoor, daarom kregen we dat eten, als het nog goed was at hij het zelf.’
‘Dan gaf hij heel trots zo’n pak spaghetti, met een grijns…’
‘Goed tot 2003!’
‘I didn’t know, I really didn’t know!’
(gelach)
‘2003! Dat is toch niet te geloven. Hoe slecht kunnen mensen zijn…’
‘Wat een klootzak.’
(stilte, getik op de tafel)
‘We hebben het bijna altijd over Lambis Fasoulaki, weet je dat?’
‘Ja maar hij is de buurman en ik zie hem elke dag, dat is het probleem. Iets anders: je boeken zijn in orde en je platen ook, ik heb ze allemaal afgedekt. Er staan ook ik weet niet hoeveel schoenen, die heb ik ook afgedekt.’
‘Fijn.’
‘En ik heb een hele mooie kast gevonden, in zo’n blabla stijl… hoe heet dat, met van die krullen?’
‘Ik weet niet hoe dat heet, maar dat is toch niet mooi…’
‘Nou dat vindt men toch mooi? Hij is heel oud denk ik. Antiek.’
‘Zal wel niet echt zijn anders zetten ze hem niet op straat. Hoe heb je die kast thuis gekregen dan?’
‘Met Lambis.’
(stilte, zuchten over en weer)
‘Ik kots op zulke mensen.’
‘Tegenwoordig kots ik op iedereen, maar hij hielp me wel dat kastje te sjouwen. Daarna dronk hij alle wijn die in huis was op en viel in slaap op de bank.’
‘Slechte mensen, onderschat ze niet.’
‘Denk je dat ik gek ben ofzo?’
‘Nee maar voor je het weet overkomt je gewoon iets, dat is het probleem met slechte mensen, je ziet het veel te laat.’
‘Ja…’
‘Als de wijn op is bijvoorbeeld.’
‘Ja, bijvoorbeeld… Maar ik pak ze altijd terug, slechte mensen.’
‘Ja dat zit in de familie.’
‘Precies, onderschat ons niet.’

*Ik weet niet zeker of Fasoulaki zijn werkelijke achternaam is, maar het was wel de naam die hij mij in de winter van 2007 opgaf toen hij wat aanmaakhout kwam lenen. Fasoulaki betekent in het Grieks ‘boon’ en dat vond ik wel mooi. Hij was ergens in de dertig, ongeveer zo groot als een kind en een zware alcoholist en harddrugsgebruiker. Hij wilde altijd in het Engels met me praten omdat hij op die manier beter zou worden in die taal en ergens een nieuw leven kon opbouwen. Dat hij het Engels niet onder de knie kreeg werd al snel duidelijk en daarnaast had Lambis nog nooit een dag in zijn leven gewerkt, hij werd onderhouden door zijn moeder, een zeer omstreden vastgoedhandelaar die al haar land had betaald met de gouden lires die haar familie had verdiend tijdens de tweede wereldoorlog. De hele familie houdt zich traditioneel schuil tijdens ‘Ochi-dag’ Als hij bij mij over de vloer kwam draaide ik altijd de Mauthausen cantata van Mikis Theodorakis voor hem, ik geloof dat hij het nooit begrepen heeft. Al een jaar lang krijg ik, als hij heel eenzaam, dronken of stoned is (of allemaal), een sms van hem. De inhoud is altijd dezelfde: ‘Dave, I’m comming to Amsterdam next week, do you have a place for me to sleep? I only need a corner. Your good friend Lambis.’


Ik schreef hier, hier, hier en hier over project HIER. Samen met Jan Aelberts, Maartje Wortel, Marco Jonas Jahn, Matthias Reuter en Martin Huyn schreef ik stadverhalen (Stadtgeschichten) die 22 januari in Arnhem werden gepresenteerd in boekvorm. Mijn verhaal ‘Mijn vader was koning van de stad’ is in deze uitgave van de Wintertuin zowel in het Nederlands als in het Duits te lezen.

Voor het fiction issue van Vice Magazine schreef ik een verhaal met de titel: ‘De Kiosk’.
Het verhaal is hier te lezen, maar ik raad u aan dit gratis tijdschrift zo snel mogelijk te vinden want het komt samen met een T-shirt waarop staat: ‘Be stupid – for successful living‘. Binnenin staat ook nog eens: ‘One size fits all. If it is too big for you, eat more. If it is too small, diet. If it fits you, congratulations’ Een korte samenvatting van het hele leven dus.

Ik heb nooit van kerst gehouden en omdat ik ook nog eens op eerste kerstdag ben geboren (met het jaarlijks terugkerende ‘Ah, een kerstkindje, wat leuk!’ van mensen die ik dat jaar heb leren kennen) hou ik ook niet van mijn verjaardag.
  Omstreeks een jaar geleden schreef ik dit en er is dit jaar veel veranderd, maar het schreeuwen op de Dam is een traditie gebleven die ik graag nog vele jaren in stand wil houden. Ik ben van mening dat kerst de beste tijd van het jaar is om de longen uit je lijf te schreeuwen.
  Ik reed samen met mijn broertje door het centrum, opzoek naar een bar of restaurant die aan aan verschillende eisen moest voldoen: Er mocht geen kerstsfeer heersen (geen kerstbomen, kerstballen, siertakken), het moest niet te sjiek zijn, maar ook zeker geen bruine kroeg. Het moest er rustig zijn, maar niet té rustig (niet dat we de enige zouden zijn). Geen storende muziek. Geen lange wachttijden en het liefste een werkende en een echte open haard (geen sierhaard op gas). ‘We vragen niet veel,’ zei mijn broertje.
  Vorig jaar was het ons niet gelukt een plek te vinden, en ook dit jaar lukte het niet. We stonden op de Dam en keken naar de zwarte sneeuw. Er was geen mens op straat op de taxichauffeurs na, maar die stonden er altijd.
  ‘Misschien kun je me iets beloven,’ zei hij.
  ‘Wat dan?’
  ‘Dat ik komend jaar minder in je verhalen voorkom. En als ik ergens in voorkom, dat ik betaald word.’
  Dat deed me denken aan de wens van mijn moeder, die juist meer in meer verhalen voor wenste te komen en daar zelfs voor wilde betalen. Zei zei: ‘ik heb ook rechten David, of het nu positieve of negatieve dingen zijn, dat maakt me niet uit, als ik maar ergens voorkom!’
  Ik heb een gekke familie, neem dat van mij aan.
  ‘Ik beloof het,’ zei ik, maar daar was geen woord van waar, en dat wist mijn broertje, want mijn broertje kent mij vrij goed.
  ‘Iets minder dan. Of betere uitspraken. Ik zeg soms geniale dingen die je dan niet opschrijft.’
  Toen begonnen we te schreeuwen. Eerst waren er scheldwoorden die door het vervormen van onze stemmen leken op een andere taal, en later vogels die haarfijn geïmiteerd werden. Natuurlijk hoorde niemand ons, zoals altijd.

Verschillende mensen vertelden mij dat het niet chic is om recensies te plaatsen op je eigen website, dat moet je vooral aan anderen overlaten, zeiden ze. Maar een paar dagen geleden werd de eerste recensie van Levi Andreas gepubliceerd in zowel het Noordhollands dagblad als het Dagblad van het noorden en die wil ik u – omdat het de eerste is – niet onthouden.

Bijzondere debuutroman over moderne Odyssee

‘Het telt 376 bladzijden en daarvan is niet een teveel. Met zijn debuutroman Levi Andreas zet de Amsterdammer David Pefko (1983) zich in een klap op de kaart als een buitengewoon talentvol schrijver. In deze moderne Odyssee verhaalt hij over een zoektocht door het leven van twee mensen. Ze kennen elkaar slechts van brieven. Enerzijds is er Rosa. Toen ze twintig was nog een gewone studente, maar nadat haar moeder een eind aan haar leven had gemaakt door een fles gootsteenontstopper leeg te drinken, verandert alles. Haar vader zakt weg in een verlammende lethargie, haar broer vertrekt naar New York en Rosa stopt met haar studie en gaat als overhemdenstrijkster in een stomerij werken. ‘Ik wilde rust (…) Alles moest stil worden in mijn hoofd.’
Op een dag vindt Rosa en een van de overhemden een klein briefje, een losse notitie die haar intrigeert. Ze stopt een eigen briefje in het overhemd en krijgt na verloop van tijd antwoord. De afzender is ene Levi, een man die oppervlakkig gezien in alles het tegendeel is van Rosa. Een charmante oplichter die zijn leven lang al het ene financiële gat met het andere dicht en alles aan elkaar liegt. ‘De leugen is veel prettiger en aanvaardbaarder. Op de leugen heb je grip en op de waarheid maar nauwelijks.’
Tussen Levi en Rosa ontstaat een soort briefwisseling. Als Rosa door bizarre gebeurtenissen in de stomerij de beschikking krijgt over een aardig kapitaal, besluit zij op zoek te gaan naar Levi. Zij volgt hem naar Brussel en vandaar naar Amerika en Argentinië. Ze haalt hem niet in, maar vindt wel zichzelf terug.
Pefko sleept de lezer mee in zijn verhaal. Hij is een geboren verteller die zelfs de kleinste details zichtbaar weet te maken. Laagje voor laagje pelt hij zijn personages af, tot op het bot. Denk je aanvankelijk nog dat die Levi Andreas een cynische klootzak is, geleidelijk ontdek je de tragiek achter zijn kille buitenkant.
Lijkt het verhaal eerst nog, met de wonderlijke gebeurtenissen in de stomerij, de tragikomische kant op te gaan, geleidelijk sluipt er meer en meer ernst in. In terloopse bijzinnetjes, zonder grote woorden, bijna onderkoeld, brengt hij het drama van Rosa’s leven onder woorden.
Als er gerechtigheid bestaat moet dit boek komende tijd minstens een van de vele literaire prijzen winnen.’
Sonja de Jong

Vanaf begin januari zullen er 25 unieke boekjes verschijnen. Elk één van de 25 verhalen uit Levi Andreas bevattend, en stuk voor stuk met de hand geschreven. Tegen die tijd, als ik uitgeschreven ben, zijn ze hier en via de website van Van Oorschot te bestellen. Maar let op: op is op!