Archief
- mei 2012
- december 2011
- september 2011
- juli 2011
- juni 2011
- mei 2011
- april 2011
- maart 2011
- februari 2011
- december 2010
- september 2010
- augustus 2010
- juli 2010
- juni 2010
- april 2010
- maart 2010
- februari 2010
- januari 2010
- december 2009
- november 2009
- oktober 2009
- september 2009
- augustus 2009
- juli 2009
- juni 2009
- mei 2009
- april 2009
- maart 2009
- februari 2009
- januari 2009
- december 2008
- november 2008
Tijdens de uitreiking van de Gouden Boekenuil 2012 bracht ik ongeveer twee woorden uit en ook nog met grote moeite; ik was lamgeslagen van verbazing en had niets voorbereid en dat terwijl mijn redacteuren me een week daarvoor nog vroegen of ik al een speech had. Ik moest daar om lachen. Als ik net als Afth. van der Heijden vier dagen van te voren had geweten dat ik zou winnen had ik graag ter plekke een aantal mensen bedankt, dus nu alsnog, hier: Mai Spijkers van Uitgeverij Prometheus, voor zijn geloof in mijn werk en zijn nimmer aflatende financiële steun, Marscha Holman en Job Lisman voor hun goede zorgen tijdens de redactie, mijn vader die er voor zorgde dat ik in Griekenland ondanks alles onbezorgd kon blijven schrijven (en eten en drinken), mijn broer die altijd met goed advies kwam en in moeilijke tijden altijd voor me klaar stond en staat, mijn zusje dat mij (goddank) nooit in de steek liet terwijl er soms reden genoeg voor was, mijn moeder die altijd in mij bleef geloven net als mijn grootmoeder die dit jaar overal minder de dupe van werd (ik zeg dit even namens haar, maar neem aan dat ze het zo zou kunnen zeggen, ik leen de laatste maanden steeds minder geld voor pakjes sigaretten) en tot slot Eva die tijdens het tweede deel van het schrijfproces in mijn leven kwam en later ook weer verdween, altijd absurd kritisch was – iets waar ik tot haar grote ergernis nooit enige boodschap aan heb gehad, maar toch, het hielp tegen mijn ongehoorde luiheid en wakkerde een raar soort vechtlust aan.
beeld: © ‘Louis Nanet, olieverf op doek’ Gabriel Kousbroek
Lieve Louis,
Vorig jaar schreef ik rond deze tijd een stuk over een kerstfeest bij mij thuis.
Er was een kalkoen en mijn familieleden hadden het naar hun zin. Ik voerde mijn grootmoeder dronken zonder dat ze het wist, deed mee aan een servetten propjes-gevecht en nam me stellig voor iets goeds te gaan doen met het komende jaar.
Nu, deze kerst, zal ik met jou vieren. Omdat je me uitnodigde, omdat je me schreef dat elk mens op een bepaald moment een man als jij in zijn leven nodig had.
In de email die ik twee weken geleden van je ontving stond: ‘Haal drank in huis, een slof sigaretten, aspirine, bètablokkers, worst en avocado’s.’ Als P.S. schreef je: ‘Het zal eenzaam worden, hou je vast.’
Het hele jaar heb ik je gevolgd. Soms had ik nauwelijks tijd om te schrijven omdat er om de zoveel minuten weer een bericht van je verscheen op facebook. Zo nu en dan maakte ik me zorgen, je beschreef dan hoe je op weg ging naar een strand, om jonge meisjes op te pikken. Ik hield mijn hart vast, maar altijd was er na een paar uur weer een teken van leven. Soms kwam je vriend Tonnie Konijnslagers tijdens die uitstapjes in een cel terecht, maar jij nooit. Ook was je ontzettend veel ziek en maakte bijna elke dag melding van maag en darmbloedingen.
Midden dit jaar schreef je: ‘Dit leven is mislukt.’
Je ex-vrouw Tiny kwam bij je terug, je overwon kanker en kreeg er weer een andere vorm van kanker voor in de plaats. Je ontwikkelde een nog niet bekende en ongeneesbare vorm van aids en schreef eindeloos veel gedichten op een zelfde thema: de vis. Je vond je andere ex Charlotte Mutsaers, terug op facbook, waar je trouwens ruim 2000 vrienden maakte dit jaar.
In de herfst won je de Nobelprijs voor de literatuur. Je dichtbundel ‘Motorkamers en Verschuttingen’ was die maand aan zijn 112e druk toe. Je esaybundel ‘Negers zijn ook mensen?’ werd vertaald in zevenentwintig talen. Ik mailde je diezelfde middag mijn felicitatie en je bericht terug was: ‘Had al veel eerder moeten gebeuren, trekhaak!’
Drie weken geleden ontving ik een prospectus van uitgeverij Prometheus. Daarin stond te lezen dat je volgend jaar een brievenboek met schrijver Jamal Ouariachi uitbrengt. Jamal Ouariachi ken ik toevallig. Ik vroeg hem gisteren wat ik zou kunnen verwachten van een kerstfeest met jou alleen.
‘Jij gaat kerst vieren met Louis Nanet?’ vroeg hij me verbaasd.
‘Ja,’ zei ik, ‘met Louis Nanet.’
‘Alleen met Nanet?’
Ik knikte.
Toen moest hij lachen en zei: ‘Nou, het is een schipper. Een dikke, kale schipper die veel drinkt en om de zoveel minuten naar de wc gaat. Hij is onbeschoft tegen iedereen en heeft weinig respect voor vrouwen. Hij houdt van dieren, maar weer niet zoveel dat hij ze niet eet. Hij is vuurgevaarlijk, maar niet op een manier dat je echt bang hoeft te zijn. Hij is nooit bang.’
‘Kun je wat van hem leren?’ vroeg ik.
Ouariachi nam een haal van zijn sigaret en zei met brok in zijn keel: ‘Alles.’
Goed, laat ik eerlijk zijn: ik ben wel bang. Ik ben bang voor kerst en bang voor vuurwerk en vooral bang voor mensen. Wat ik van jou hoop te leren is dat niet meer te zijn, want wat je laatst schreef is misschien wel waar: ‘Weet je waar het allemaal om gaat ouwe reus? Het gaat erom dat je lekker ken schrijven, lekker eten, je lul zo nu en dan ergens in kan duwen, liefde kan geven en ontvangen. Dat je een paar goed functionerende nieren hebt. Geen gezeik in de casa! Zo moet je leven: een vis kopen, bakken en opvreten.’
Ik zit klaar.
Hartelijke groet,
David Pefko

In samenwerking met Marcello van Kampen, de oprichter, uitbater, en grootaandeelhouder van Literaire T-shirts presenteer ik u een zeer bijzonder t-shirt.
Er is gebruik gemaakt van hoogwaardig 145 grams Egyptisch katoen, zodat u dit shirt zelfs na vele tientallen wasbeurten met trots kunt dragen. Bijvoorbeeld ter vervanging van het lichtblauwe overhemd, onder een donkerblauw jasje, zoals Marcello al opmerkte.
Het design is van Studio Gert Jonker en de tekst komt uit mijn eerste roman Levi Andreas. Er zijn 100 gelimiteerde exemplaren, waarvan 25 damesmodellen zijn (een iets diepere hals en gemodelleerde mouwen), allemaal hand-gesigneerd en genummerd.
Bekijken en bestellen doet u hier, maar winnen kan ook. Omdat Marcello zo aardig is geweest mij enkele auteursexemplaren te sturen en ik vrijwel geen mensen ken die t-shirts dragen, verloot ik deze 5 exemplaren. Dat dat niet zonder tegenprestatie zal gaan komt door de nominatie voor de Academica Literatuurprijs 2011. Als op op mijn boek stemt, maakt u kans op een van de 5 T-shirts en bovendien, – schijnt – op een zogenaamde total body massage. Enige vereiste is dat u met bewijzen komt dat u dit ook daadwerkelijk gedaan heeft, want om bewijzen draait het allemaal.
In het Parool van vandaag schreef Theodor Holman in zijn column over Het Voorseizoen
“Literaire thriller
Dat ik behoorlijk verbrand ben, is de schuld van een Nederlandse schrijver: David Pefko. Ik had nog nooit van hem gehoord, maar ik heb zijn boek Het voorseizoen van mijn dochter gekregen. Die dochter werkt bij de uitgever van het boek en dus kan men mij van corruptie beschuldigen. Dat mag, en als men dat doet, zal mijn enige verdediging zijn: lees dat boek. Ik denk dat het overal minimaal vijf sterren en menige literaire prijs zal krijgen.
Ik begon het boek gisterochtend op het strand in Senigallia met tegenzin te lezen – ik had al mijn andere boeken uit – en legde het twaalf uur later weg, Was dit een Nederlandse auteur? Had ik niet een boek van een Engelsman gelezen? Maar inspecteur Steve Mellors, die in Leicester werkt, was zo schitterend ‘getekend’.
Zelden ook heb ik zo’n spannend boek gelezen. Een samenvatting zou het boek geen recht doen – en ik ben dan ook geen recensent – maar ik las het boek van een man die constant op zoek is naar het goede, maar daartoe het vermogen of de intelligentie mist, en die op het enige moment dat hij juist moet handelen, dat niet doet.
Het knappe van de auteur is dat je als lezer dezelfde beslissingen zou nemen en dus in feite medeschuldig bent aan alles wat inspecteur Steve Mellors overkomt. Het is een rijk boek. Dit is nu wat ik onder een werkelijk literaire thriller versta.
Je wordt van het ene dilemma naar het andere gevoerd, van de ene verschrikking naar de andere, en tegelijkertijd ga je door een storm van emoties. Van onbegrip, naar ontroering, van woede naar compassie, van haat naar bezorgde liefde.
Genoeg hierover. Lees Het voorseizoen, mijn tip voor deze vakantie.
(Gijs van de Westelaken, Dave Schram, Eddy Terstall, Martin Koolhoven, volg mijn tip: koop de filmrechten van dit boek! Ik betaal mee.)
Ik wilde eigenlijk over de Noorse schutter schrijven, maar dat zal ik morgen doen.”

There’s still crime in the city,
Said the cop on the beat,
I don’t know if I can stop it
I feel like meat on the street
They paint my car like a target
I take my orders from fools
Meanwhile some kid
blows my head off
Well, I play by their rules
That’s why I’m doin’ it my way
I took the law in my hands
So here I am in the alleyway
A wad of cash in my pants
I get paid by a ten year old
He says he looks up to me
There’s still crime in the city
But it’s good to be free.
(Neil Young, Crime in the city, 1989)
Drie weken geleden bestelde ik een roti pittig gehakt met een extra pannenkoek bij een bezorgrestaurant in de Amsterdamse Zeilstraat. Al zeker sinds mijn zevende is mijn voltallige familie daar klant, al moet ik er wel even bij zeggen dat ik sommige familieleden niet meetel als familie, omdat ze zich de laatste jaren als schoften hebben gedragen.
Mijn broertje is grootaandeelhouder en mijn grootmoeder heeft via dit restaurant de Surinaamse keuken leren kennen en waarderen.
Ik ben niet zo gek op roti, maar heel soms moet ik het gewoon eten. Een soort traumaverwerking denk ik.
Na een uur was mijn bestelling er nog niet en ik besloot ze te bellen. De bezorger was de weg kwijt. Binnen twintig minuten zou de roti mij bereiken. De man aan de telefoon bood zijn excuses aan. ‘Hij is gloednieuw,’ zei hij.
Na een uur werd ik behoorlijk pissig; ik had nog meer te doen en ik wilde gewoon eten, dus belde ik het restaurant met de mededeling dat ik de roti niet meer wilde hebben. Ik geloof zelfs dat ik zei: ‘Ik heb er geen zin meer in,’ en dat schoot de man aan de telefoon in het verkeerde keelgat.
Hij zei: ‘Meneer, u moet luisteren. Binnen twintig minuten is de bezorger bij u.’
‘Ik heb het gehad,’ fluisterde ik.
Toen zei hij: ‘U hoeft niet te betalen. U mag een kleine fooi geven, maar u hoeft niet te betalen.’
Na twintig minuten stond de gloednieuwe bezorger voor mijn deur. Hij had een brede grijns en sandalen aan zijn voeten.
Ik zei geen woord en gaf hem twee euro.
Gisteren belde mijn broertje met de mededeling dat de nieuwe bezorger van het restaurant bij het afgeven van zijn bestelling iets raars had gezegd.
‘Wat dan?’ vroeg ik, ‘en was hij op tijd?’
‘Ja hij was op tijd. Hij zei: “Uw broer is beroemd.”’
‘Wat?’ vroeg ik.
‘Ja dat snapte ik ook niet, maar toen zei hij: “Hij was op televisie.”’

Ik kan u natuurlijk vertellen dat Steve Mellors op 5 april zijn kat kwijtraakte, en nu alles in het werk stelt om het diertje weer terug te vinden. Dat overal in Amsterdam aanplakbiljetten hangen. Op bomen, elektriciteitshuisjes en lantarenpalen. Of dat het katje rood met wit gestreept is en geen naam heeft. Dat er een klein scheurtje in zijn rechteroor zit.
U zou natuurlijk naar deze website kunnen gaan om te weten te komen hoe het allemaal zo is gekomen, ja, dat zou u natuurlijk kunnen doen, maar het lijkt me het beste u te waarschuwen voor de kans dat u met dit bezoek aan de website de winnaar van een boek kunt worden, of dat eigenlijk al bent.
Zie ook hier



